huisdier

Tiny en de huisdieren

Vorige week was het weer werelddierendag. Maar omdat ik niet mee doe aan die hype en alle dagen wel vriendjes met dieren wil zijn, gaat het NU over dieren en niet vorige week.

Iemand vroeg mij, schrijf eens over je hondje van vroeger op je blog.

En dan denk ik meteen aan Robbie.

Robbie was een chocoladebruine poedel. Waar hij vandaan kwam, geen flauw idee, ik was negen jaar. Al jaren had ik gesmeekt om een hondje, ik was enig kind en een beetje eenzaam en dat hondje zou alles oplossen. Dacht ik. Ik was stekezot van Robbie. Het was een lief en braaf beest, jong en speels. We speelden vooral samen in de tuin, ik heb er zelfs nog Super8mm-filmpjes van. En een foto.

FullSizeRender-2

Toen mijn moeder een paar jaar later begon als dagmoeder, moest Robbie echter weg. Een hondje en twee babietjes, blijkbaar mocht dat niet, om één of andere duistere reden. Ik vond het zeer oneerlijk. Op mijn eigen manier heb ik afscheid genomen van het dier en op het moment dat ze hem kwamen halen (hij ging naar een andere lieve familie, zeiden mijn ouders), wou ik er niet bij zijn. Ik verstopte me in de woonkamer onder een kussen en huilde stille tranen.

Nog een paar jaar later, de kindjes waarvoor we zorgden, waren al wat groter, mocht er wel een poesje komen. Dat werd Mientje. Ze was een paar jaar bij ons, maar verder herinner ik me er niet zo veel van.

Toen mijn grootvader stierf, durfde mijn moeder niet meer alleen over straat. Mijn vader werkte nog, ik zat op school en tot die tijd deed ze de boodschappen vaak samen met mijn grootvader. We zochten een oplossing en die kwam er onder de vorm van: een hond! Ja, super vond ik dat.

De eerste blinde geleidehond heette Vagabond (op zijn Frans) en kwam uit Ghlin. Zijn bevelen had hij in ’t Frans geleerd, dat was wel grappig. Een lief beest, maar we hebben hem niet lang kunnen houden, hij werd ziek.

FullSizeRender-3

Vagabond was te lang, en we noemden hem “Bondje” 🙂

De tweede was een blonde Labrador en kwam uit Limburg. Hij heette Kim en hij was iedereens lieveling. Hij was een supergoede begeleider voor allebei mijn ouders. Ondertussen ging ik studeren, op kot, alleen wonen, trouwen, kreeg een kind en toen mijn zoon kon kruipen, deed hij niks liever dan samen met Kim in de grote mand zitten. Kim vond dat allemaal prima en mijn zoon had een levensgrote knuffelhond. We zijn er wel altijd bijgebleven, want een dier blijft een dier en je weet nooit hoe het ineens zou reageren op een kind. Maar er is nooit iets gebeurd, Kim was de liefste hond ooit. Tot ook hij ziek werd, en niet meer te redden viel. Tranen met tuiten bij iedereen.

FullSizeRender

Later zijn er nog enkele pogingen gedaan voor een nieuwe geleidehond, maar het was nooit meer zoals Kim. En ik woonde toen al niet meer thuis.

Bij mij kwamen de katten. Eerst had ik geen huisdieren, ik wou wel een hond, maar vond dat zielig omdat we de hele dag gaan werken waren. Op een avond gingen we repeteren en vonden we onze jonge drummer in tranen. Hij had een klein poesje gevonden, (of gekregen, weet ik niet meer) maar hij mocht het niet houden van zijn ouders. Ik was er meteen weg van en heb het zelf meegenomen naar huis. We noemden haar Syria, naar onze groep, die Syrius heette.

Toen ik vele jaren later ging scheiden, moest ik jammer genoeg ook van Syria scheiden. Als ik één iets miste van het huis dat ik achterliet, was het wel de poes.

Er volgden nog poezen: Nero, Sylvester, Oliver, Sammy en Timmy. Elk met hun eigen verhaal.

Toen ik twee jaar geleden naar Wevelgem verhuisde, was er spijtig genoeg geen huisdier welkom. Allergie en aversie tegen katten. Niet tegen honden, maar ook hier weer: als we hele dagen gaan werken, en vaak op reis gaan: dat doe je een hond niet aan, vind ik. ’t Is jammer maar helaas.

Als ik bij iemand moet gaan cat- of dogsitten, laat maar weten. Met alle plezier!

Advertenties