zingen

Tiny en de Aha-erlebnis

Twee kleine gebeurtenissen liggen aan de basis van dit bericht. Dinsdagavond zat ik op een bepaald moment luid te snotteren voor de televisie bij Factcheckers. Interessant programma over het algemeen, en tot nu toe nooit iets emotioneel, maar nu gingen ze onderzoeken of “muziek werkt als medicijn tegen dementie”. Natuurlijk is dat een feit. De reportage toonde enkele mensen met dementie die opleefden bij het horen van een bepaald liedje. Mijn favoriete neuroloog Steven Laureys toonde ook aan dat er wel degelijk iets gebeurt in de hersenen, dat ver opgeslagen herinneringen of emoties toch terug komen bij het horen van bepaalde muziek.

Kijk hier: https://www.vrt.be/vrtnu/a-z/factcheckers/fragmenten/factcheckers-sfragmentena9/

Het fragment deed me denken aan mijn moeder, hoe ze nu is en hoe ze was en hoe ze opleeft als ik bepaalde liedjes begin te zingen of als ze iets hoort op de radio dat ze herkent. Ze heeft altijd gezongen en doet dit nu nog al vindt ze vaak de woorden niet meer.

De volgende dag hoor ik een flits van dit nummer op de radio: “Hunting high and low” van A-ha. (Klik op de link om te luisteren)

Ik kocht de LP in de jaren tachtig en was helemaal stapelgek onnozel verliefd op Morten Harket, de Noorse zanger. De meeste liedjes leerde ik uit mijn hoofd en mijn favoriet was niet de monsterhit Take on me, maar wel bovenstaand nummer.

In de zomer in 1986 ging ik met een vriendin, haar lief en nog een kennis op kampeertocht met de motor. Twee tentjes: eentje voor mij en mijn vriendin, eentje voor die twee jongens. Tot dat mijn vriendin vriendelijk vroeg of ik het toch niet zag zitten met die andere jongen in de tent te slapen. Goh. Wel. Awel ja dan zeker. Ik kende hem amper. De dag en de avond leerden we elkaar wel kennen, en zaten we ’s avonds bij een kampvuurtje te roken (OMG!), te drinken en veel te zingen. Want zowel mijn vriendin, als haar vriend, als ik, zaten in hetzelfde rockgroepje.

We zongen alles zomaar uit het hoofd, zowat alle nummers die we kenden, en af en toe zong ook iemand iets alleen. Waaronder ik, Hunting high and low, dus. Dat viel blijkbaar in de smaak want die jongen begon behoorlijk blij naar mij te kijken en vroeg mij zelfs om het lied nog eens opnieuw te zingen, overlaadde mij met complimentjes over mijn stem en was heel vriendelijk. Dus och ja, ik liet daarna mijn vriendin bij haar vriendje slapen en de jongen dus in mijn tent. Elk zijn matras en slaapzak en dat ging wel goed komen.

Dacht ik.

Maar als de wijn is uit de kan en de drank in de man…. hij kwam steeds dichter en dichter liggen met slaapzak en al. Ik dacht nog: hij rolt van de matras zeker?

Tot ik een arm om mijn schouders voelde, boven mijn slaapzak, waarop ik zei: “Nee nee, blijf maar aan jouw kant” en hem een duwtje gaf.

“Allez, voor de gezellgheid”, zei hij. En legde zijn arm weer op mijn slaapzak. Ik dacht: “Straks valt hij toch wel in slaap, pfff, laat dan maar, zeker?” en deed niks.

Tot die arm ineens in mijn slaapzak begon te friemelen. Ik verstijfde. De arm en de hand begon van alles te proberen, onder mijn t-shirt, maar ik gaf hem stompen en zei NEE! en BLUUF VAN ME! Hij bleef proberen tot ik hem echt een stamp verkocht, hem met beide handen van mij af duwde en hem probeerde te rollen naar de andere kant van de tent. Waar hij GELUKKIG bleef liggen.

De volgende morgen deed hij alsof er niks was gebeurd. Mijn vriendin deed het voorval af als “hij had te veel gedronken hé”. Dat was de tijdsgeest, in 1986.

Je begrijpt: Hunting high and low is volledig verpest.

Een jaar later leer ik een jongen kennen, een vriend van een vriendin, die als twee druppels water lijkt op die Morten Harket van A-ha. Zes maanden lang was ik er strontverliefd op, heb er van alles aan gedaan om hem voor mij te winnen, wat uiteindelijk op een oudejaarsavond is gelukt. We bleven een maand of tien een koppel, ik was vreselijk gelukkig. Maar helaas: hij niet. Hij maakte het uit en ik heb er bijna een jaar voor nodig gehad om dat liefdesverdriet te laten slijten. (Trouwens, ’t was afgelopen woensdag zijn verjaardag.)

Wat muziek dus allemaal kan doen….

PS: ze hebben onlangs Morten Harket in een kostuum van The Masked Singer gestoken… ik ben er nog altijd zot van! https://www.youtube.com/watch?v=1tUy7C6-xGQ

Tiny’s optreden in HUMO’s rockrally

Ergens lang geleden heb ik al eens geblogd over mijn “carrière” in de popwereld. Neem dat maar met een serieuze korrel zout, want zoveel stelde het niet voor. Ik zong graag, en zat al in het middelbaar in een bandje. We maakten onze eigen nummers, maar mijn bijdrage was zeer bescheiden, ik was toen één van de twee zangeressen bij Geret’s House.

Met enkele overgebleven leden en een paar nieuwe mensen had ik eind jaren tachtig een ander groepje: Head over Heels. Toffe groepsnaam, vind ik nog steeds. Ik herinner me nog een optreden op Sijsele-kermis of zoiets, in openlucht – en één of ander trouwfeest waar de drummer de boel om zeep hielp door écht midden in een nummer gewoon te stoppen omdat hij een fout had gemaakt. Djiezes. The show must go on, hé!

Ondertussen zong ik (zelfs samen met mijn moeder) in een koor, of eigenlijk in verschillende, en zag ik menige kerk niet alleen van zeer dichtbij, maar zag ik ook de sacristie die voor de gelegenheid was omgebouwd tot backstage ruimte. Ook in de Brugse Stadsschouwburg heb ik enkele keren mogen optreden met een koor. Prachtige zaal!

Maar hoe gaat dat met beginnende groepjes? Je bent met te veel, er zijn te veel verschillende meningen, je maakt wel eens ruzie, er is koppelvorming en dat koppel gaat dan weer uitéén, of de rek is er gewoon uit na enkele jaren.

In 1993 zag ik een advertentie voor een backing zangeres in Heist, ik ging er een beetje verlegen naartoe, maar werd door die jongens al snel in de armen gesloten en beleefde enkele mooie jaren met regelmatig optredens. Het was een mengeling van covers en eigen nummers. Ik zong afwisselend backingvocals en soms ook lead.

Ook Push Kinn stierf een stille dood, ik weet al niet meer hoe of wat. Met mijn toenmalige vriend/gitarist ging ik op zoek naar een andere band en we kwamen terecht in een groepje achttienjarigen (een drummer, een toetsenist, een bassist en een gitarist) die ondanks hun piepjonge leeftijd gedreven muzikanten waren. Syrius werd de naam, naar het gelijknamige schip van Greenpeace. Het ging goed vooruit, ik schreef ook een hoop eigen nummers en er werd volop geëxperimenteerd, opgenomen op cassettes en bijna per ongeluk werd zo’n democassette eens naar de redactie van HUMO gestuurd, om deel te nemen aan HUMO’s Rock Rally. Zonder al te veel dromen of verwachtingen, gewoon, zotte jonge overmoedigheid.

Ik herinner me nog steeds het gevoel toen ik de brief van HUMO in de bus kreeg, met de mededeling dat we geselecteerd waren voor de preselecties in Brugge. Begin maart 1996 werden we uitgenodigd om in de Cactus Club drie nummers te spelen voor een breed publiek én een jury. Ik wou onze bassist verrassen met het nieuws en zocht hem op thuis, ik wou zijn gezicht zien toen ik het hem ging vertellen. Zàlige reactie. Hij sprong mee in mijn auto en zo reden we ook naar onze drummer en daarna naar onze gitarist. Een hilarisch gelukzalige autorit door Brugge.

Toch nog de affiche terug gevonden

In januari 1996 bleek ik zwanger dus stond ik in maart met een beginnend bol buikje op het podium van HUMO’s Rock Rally. We waren uit meer dan 700 inzendingen geselecteerd en traden op als negende groep. Vol spanning en zenuwachtig zaten we te wachten tot we op mochten, het optreden zelf trok op niet veel, we maakten veel fouten en ik vertelde té veel onzin tussen de nummers door, waarvoor ik ben afgestraft in het juryrapport. Plus, ze vergeleken me met Bea Van Der Maat. Tja.

Als tiende groep, dus vlak nà ons, trad een ander beginnend groepje op, genaamd Arid. De zanger, ene Jasper Steverlinck, bleek een stem als een klok te hebben, goeie nummers en zo waren àlle groepjes die voor hen kwamen, snel vergeten. We vonden het niet zo erg, het was een leuke ervaring maar we waren helemaal nog niet klaar voor méér.

Helaas nee, geen youtube filmpjes of foto’s, je moet je fantasie wat gebruiken, vrees ik. En mij op mijn woord geloven.

Dit is de vijftiende dag in #40 dagen bloggen, met dank aan Nele voor de inspiratie

Tiny en de jager

“In het bos daar staat een huisje…”

Dat liedje werd meteen op mijn innerlijke jukebox afgespeeld na een toevallige ontmoeting. Op 11 november was het nog redelijk weer en wou ik gaan wandelen, samen met mijn vriend. Ik koos een wandeling uit die niet te lang was, want hij wou die dag ook nog gaan fietsen, en kwam zo uit op Kruiseke, een deelgemeente van Wervik, op tien minuten auto van bij ons.

Bijna allemaal off-road wandelpaden, waar we quasi niemand tegenkwamen behalve een andere wandelaar met hond. Tot plots… we achter ons een 4×4 zagen komen, die reed ons hobbelend door de modder voorbij en stopte 100 meter verder. Een boer, dacht ik, die naar zijn koeien komt kijken.

Maar we zien de heer uitstappen, hij is volledig in het groen gekleed (kan nog altijd voor een boer, dacht ik) en heeft een geweer mee. Oh la!

We passeren voorzichtig en zeggen beleefd goeiedag. Tegen mensen met geweren moet je altijd heel vriendelijk zijn, dacht ik! Dan kan ik het niet laten en vraag ik: “En, op wat ga je schieten?”

Ip hoazen”, zei hij. “Joak, we zetten er zo’n dertigtal uit, we schieten er 20 en laten er tien lopen, voor de kweek hé, haha!”

En wat je vangt, eet je op?”

“Ah ja hé, die gaan allemaal in de diepvries, vo tegen Kerstdag!”

Ja wat zeg je daarop? “Alléé, succes? Smakelijk?

Ken je dat liedje, vroeg ik aan mijn vriend. “In het bos daar staat een huisje, ‘k keek eens even door het raam. Kwam een haasje aangelopen, klopte tegen ’t raam.”

Klopte tegen ’t raam?”, vroeg hij. “Wat, die haas? Hoe heeft hij dat gedaan?”

Euh ja, met zijn pootje zeker? Het is een beleefde haas, die eerst klopt. Niet?

Ik vroeg hem ook nog wat de haas dan zou kunnen roepen aan de deur. Hij had geen flauw idee, nog nooit gehoord, dat liedje. Ik vraag me af, is ’t iets Vlaams? Kennen de Nederlanders dit?

Help mij, help mij, uit de nood, want de jager schiet mij dood!”

Nee nee, zegt mijn vriend, ’t moet zijn: “…Of de jager schiet mij dood!” En toen volgde een hele discussie over de betekenis van ‘of’ en ‘want’ en de taalkundige juistheid van het liedje. Tja, een mens moet toch een beetje gespreksstof hebben, tijdens een wandeling hé?

Kom maar in mijn huisje klein, ‘k zal u dankbaar zijn.”

Oei. Taalkundig snap je er wellicht de ballen van. En ik vond dat nochtans al altijd een zeer logisch liedje. Ging ook gepaard met enkele grote gebaren om het wat te verduidelijken voor de kindjes.

Enfin, op bovenstaande foto zie je dus in de verte nog twee andere jagers. Wij maakten ons snel uit de voeten, maar hebben geen enkel schot gehoord. Ik zei nog: “Er zit daar misschien een geluidsdemper op?” Maar nee, blijkbaar heb ik te veel films gezien, op jachtgeweren staat geen geluidsdemper, zei mijn vriend die nog zijn legerdienst heeft gedaan (en er dus wel verstand van zal hebben).

Misschien zat die geluidsdemper nog in zijn binnenzak?”, opperde ik nog even. Maar nee, zei hij, en dan ziet hij een haas, als hij dan nog die demper er moet opzetten, is dat beest al lang weg.

Ergens dacht ik ook gelezen te hebben dat hazen bijna een beschermde diersoort zijn. Maar blijkbaar staat er daar wel een quota op, hoeveel ze er mogen schieten en al. Ik weet daar dus NIKS van hé. En ik vind het ook een beetje eng. En moreel onverantwoord. Maar ja, wie ben ik.

En wat doet Tiny dan? Ze zoekt op Youtube. Waarlijks, het Duracell-konijn Kaatje heeft hier ook een versie van. Haar haas klopt aan de deur (nog beter, maar dan rijmt het niet hé!) en vraagt vriendelijk om hem binnen te laten in het huisje klein. Ah ja, dan klopt het wel. Mysterie opgelost.