zingen

Tiny’s optreden in HUMO’s rockrally

Ergens lang geleden heb ik al eens geblogd over mijn “carrière” in de popwereld. Neem dat maar met een serieuze korrel zout, want zoveel stelde het niet voor. Ik zong graag, en zat al in het middelbaar in een bandje. We maakten onze eigen nummers, maar mijn bijdrage was zeer bescheiden, ik was toen één van de twee zangeressen bij Geret’s House.

Met enkele overgebleven leden en een paar nieuwe mensen had ik eind jaren tachtig een ander groepje: Head over Heels. Toffe groepsnaam, vind ik nog steeds. Ik herinner me nog een optreden op Sijsele-kermis of zoiets, in openlucht – en één of ander trouwfeest waar de drummer de boel om zeep hielp door écht midden in een nummer gewoon te stoppen omdat hij een fout had gemaakt. Djiezes. The show must go on, hé!

Ondertussen zong ik (zelfs samen met mijn moeder) in een koor, of eigenlijk in verschillende, en zag ik menige kerk niet alleen van zeer dichtbij, maar zag ik ook de sacristie die voor de gelegenheid was omgebouwd tot backstage ruimte. Ook in de Brugse Stadsschouwburg heb ik enkele keren mogen optreden met een koor. Prachtige zaal!

Maar hoe gaat dat met beginnende groepjes? Je bent met te veel, er zijn te veel verschillende meningen, je maakt wel eens ruzie, er is koppelvorming en dat koppel gaat dan weer uitéén, of de rek is er gewoon uit na enkele jaren.

In 1993 zag ik een advertentie voor een backing zangeres in Heist, ik ging er een beetje verlegen naartoe, maar werd door die jongens al snel in de armen gesloten en beleefde enkele mooie jaren met regelmatig optredens. Het was een mengeling van covers en eigen nummers. Ik zong afwisselend backingvocals en soms ook lead.

Ook Push Kinn stierf een stille dood, ik weet al niet meer hoe of wat. Met mijn toenmalige vriend/gitarist ging ik op zoek naar een andere band en we kwamen terecht in een groepje achttienjarigen (een drummer, een toetsenist, een bassist en een gitarist) die ondanks hun piepjonge leeftijd gedreven muzikanten waren. Syrius werd de naam, naar het gelijknamige schip van Greenpeace. Het ging goed vooruit, ik schreef ook een hoop eigen nummers en er werd volop geëxperimenteerd, opgenomen op cassettes en bijna per ongeluk werd zo’n democassette eens naar de redactie van HUMO gestuurd, om deel te nemen aan HUMO’s Rock Rally. Zonder al te veel dromen of verwachtingen, gewoon, zotte jonge overmoedigheid.

Ik herinner me nog steeds het gevoel toen ik de brief van HUMO in de bus kreeg, met de mededeling dat we geselecteerd waren voor de preselecties in Brugge. Begin maart 1996 werden we uitgenodigd om in de Cactus Club drie nummers te spelen voor een breed publiek én een jury. Ik wou onze bassist verrassen met het nieuws en zocht hem op thuis, ik wou zijn gezicht zien toen ik het hem ging vertellen. Zàlige reactie. Hij sprong mee in mijn auto en zo reden we ook naar onze drummer en daarna naar onze gitarist. Een hilarisch gelukzalige autorit door Brugge.

Toch nog de affiche terug gevonden

In januari 1996 bleek ik zwanger dus stond ik in maart met een beginnend bol buikje op het podium van HUMO’s Rock Rally. We waren uit meer dan 700 inzendingen geselecteerd en traden op als negende groep. Vol spanning en zenuwachtig zaten we te wachten tot we op mochten, het optreden zelf trok op niet veel, we maakten veel fouten en ik vertelde té veel onzin tussen de nummers door, waarvoor ik ben afgestraft in het juryrapport. Plus, ze vergeleken me met Bea Van Der Maat. Tja.

Als tiende groep, dus vlak nà ons, trad een ander beginnend groepje op, genaamd Arid. De zanger, ene Jasper Steverlinck, bleek een stem als een klok te hebben, goeie nummers en zo waren àlle groepjes die voor hen kwamen, snel vergeten. We vonden het niet zo erg, het was een leuke ervaring maar we waren helemaal nog niet klaar voor méér.

Helaas nee, geen youtube filmpjes of foto’s, je moet je fantasie wat gebruiken, vrees ik. En mij op mijn woord geloven.

Dit is de vijftiende dag in #40 dagen bloggen, met dank aan Nele voor de inspiratie

Tiny en de jager

“In het bos daar staat een huisje…”

Dat liedje werd meteen op mijn innerlijke jukebox afgespeeld na een toevallige ontmoeting. Op 11 november was het nog redelijk weer en wou ik gaan wandelen, samen met mijn vriend. Ik koos een wandeling uit die niet te lang was, want hij wou die dag ook nog gaan fietsen, en kwam zo uit op Kruiseke, een deelgemeente van Wervik, op tien minuten auto van bij ons.

Bijna allemaal off-road wandelpaden, waar we quasi niemand tegenkwamen behalve een andere wandelaar met hond. Tot plots… we achter ons een 4×4 zagen komen, die reed ons hobbelend door de modder voorbij en stopte 100 meter verder. Een boer, dacht ik, die naar zijn koeien komt kijken.

Maar we zien de heer uitstappen, hij is volledig in het groen gekleed (kan nog altijd voor een boer, dacht ik) en heeft een geweer mee. Oh la!

We passeren voorzichtig en zeggen beleefd goeiedag. Tegen mensen met geweren moet je altijd heel vriendelijk zijn, dacht ik! Dan kan ik het niet laten en vraag ik: “En, op wat ga je schieten?”

Ip hoazen”, zei hij. “Joak, we zetten er zo’n dertigtal uit, we schieten er 20 en laten er tien lopen, voor de kweek hé, haha!”

En wat je vangt, eet je op?”

“Ah ja hé, die gaan allemaal in de diepvries, vo tegen Kerstdag!”

Ja wat zeg je daarop? “Alléé, succes? Smakelijk?

Ken je dat liedje, vroeg ik aan mijn vriend. “In het bos daar staat een huisje, ‘k keek eens even door het raam. Kwam een haasje aangelopen, klopte tegen ’t raam.”

Klopte tegen ’t raam?”, vroeg hij. “Wat, die haas? Hoe heeft hij dat gedaan?”

Euh ja, met zijn pootje zeker? Het is een beleefde haas, die eerst klopt. Niet?

Ik vroeg hem ook nog wat de haas dan zou kunnen roepen aan de deur. Hij had geen flauw idee, nog nooit gehoord, dat liedje. Ik vraag me af, is ’t iets Vlaams? Kennen de Nederlanders dit?

Help mij, help mij, uit de nood, want de jager schiet mij dood!”

Nee nee, zegt mijn vriend, ’t moet zijn: “…Of de jager schiet mij dood!” En toen volgde een hele discussie over de betekenis van ‘of’ en ‘want’ en de taalkundige juistheid van het liedje. Tja, een mens moet toch een beetje gespreksstof hebben, tijdens een wandeling hé?

Kom maar in mijn huisje klein, ‘k zal u dankbaar zijn.”

Oei. Taalkundig snap je er wellicht de ballen van. En ik vond dat nochtans al altijd een zeer logisch liedje. Ging ook gepaard met enkele grote gebaren om het wat te verduidelijken voor de kindjes.

Enfin, op bovenstaande foto zie je dus in de verte nog twee andere jagers. Wij maakten ons snel uit de voeten, maar hebben geen enkel schot gehoord. Ik zei nog: “Er zit daar misschien een geluidsdemper op?” Maar nee, blijkbaar heb ik te veel films gezien, op jachtgeweren staat geen geluidsdemper, zei mijn vriend die nog zijn legerdienst heeft gedaan (en er dus wel verstand van zal hebben).

Misschien zat die geluidsdemper nog in zijn binnenzak?”, opperde ik nog even. Maar nee, zei hij, en dan ziet hij een haas, als hij dan nog die demper er moet opzetten, is dat beest al lang weg.

Ergens dacht ik ook gelezen te hebben dat hazen bijna een beschermde diersoort zijn. Maar blijkbaar staat er daar wel een quota op, hoeveel ze er mogen schieten en al. Ik weet daar dus NIKS van hé. En ik vind het ook een beetje eng. En moreel onverantwoord. Maar ja, wie ben ik.

En wat doet Tiny dan? Ze zoekt op Youtube. Waarlijks, het Duracell-konijn Kaatje heeft hier ook een versie van. Haar haas klopt aan de deur (nog beter, maar dan rijmt het niet hé!) en vraagt vriendelijk om hem binnen te laten in het huisje klein. Ah ja, dan klopt het wel. Mysterie opgelost.

Tiny kent een liedje

Onlangs vertelde men mij dat ik wel héél veel liedjes kan meezingen. En dan bedoel ik van begin tot einde. Da’s waar.

Ik was een jaar of twaalf toen ik een paar weken ziek thuis was, heel vermoeid en slap, en na al mijn boeken en tijdschriften gelezen te hebben, zocht ik een andere bezigheid. Enig kind hé, dan leer je wel hoe je jezelf kan bezig houden. Ik had een bandopnemer en een radio, en nam alle soorten liedjes op die ik graag hoorde. Dan speelde ik die steeds opnieuw en schreef de teksten op, in een soort fonetisch Engels. En zo leerde ik die uit mijn hoofd.

Maar zelfs toen ik nog veel jonger was, luisterde ik constant naar de radio en naar de platen die mijn ouders draaiden. Veel liedjes bleven hangen, al snapte ik de betekenis niet.
Een goed voorbeeld is dit nummer van Astrid Nijgh, ik was vijf jaar toen het uitkwam, maar kon het toen al mee zingen. Ik had geen idee waar het over ging:

Ik doe wat ik doe, en vraag niet waarom
Ik doe wat ik doe, en misschien is dat dom
Maar ik vraag toch ook niet aan jou, 
waarom je het hier doet en niet bij je vrouw, 
ach kom nou
we doen wat we doen
ach kom nou
we doen wat we doen

Met die hele hetze over “Kind van de duivel” van Je Broer dacht ik hier aan. Ik zong van alles als kind, wist ik veel waar het over ging. Ik was al lang blij dat ik iets kon meezingen. En nee, ik ben geen prostituee geworden omdat ik dit liedje uit mijn hoofd kon. 😉

Een paar jaar geleden zag ik Astrid Nijgh dit live zingen op Dranouter, en de tranen sprongen in mijn ogen. Het nummer werd door Lennaert Nijgh geschreven, haar ex, maar vooral door haar donkere stem en vertolking werd dit een hit in de jaren zeventig.

Dit jaar staat het project “Nijghse vrouwen” weer op het podium in Dranouter, waar een boel nummers van Lennaert weer opnieuw leven in geblazen worden, ik kijk er al naar uit.

nijghsevrouwen