toerist

Tiny in Tenerife

Iedereen en zijn broer lijkt al in Tenerife te zijn geweest, wij nog niet. Een weekje in december waar er minder baskettrainingen zijn, een huisje van de ouders van een vriendin, een relatief goedkope vlucht en hoppa, wijle weg.

Twintig minuutjes met de taxi naar het huisje, in een versterkte burcht residentieel park, aan de Costa Del Silencio en inderdaad: het is hier stil. ’s Nachts hoor je echt niks. Overdag vooral de honderden parkieten in de palmbomen (geen kanaries!), er zijn vooral oudere toeristen, overwinteraars vaak en die maken ook niet zo veel lawaai.

Ons appartement, op de benedenverdieping, is erg praktisch ingericht: er is ruimte voor vier personen, twee ruime slaapkamers, volledig ingerichte keuken, en een verwarmd zwembad in de tuin. Je zit rustig, maar wel tussen de huizenblokken. Wij vergelijken meteen met de weidsheid van de natuur als je gaat kamperen, als je tussen de bomen zit. Maar hier zijn géén muggen en géén luidruchtige kampeergasten. We kunnen onze koffer volledig uitpakken en in een kast leggen, wat een luxe. De supermarkt en de (Vlaamse!) bakker op wandelafstand, evenals het dorpje Las Galletas met een fijne boulevard vol rustige café’s en restaurantjes.

We kunnen een auto huren van de eigenaar en trekken er dan ook elke dag op uit.

De temperatuur is aangenaam, steeds rond de twintig graden, er is geen wind, veel zon en af en toe een wolk. Het eten is er niet duur, er is verse vis, veel keuze, lekkere drankjes,… Kortom, zo tussendoor in december een weekje samen genieten.

Zijn jullie nu weeral weg?” is een veelgehoorde vraag. Maar we gaan ons niet verontschuldigen. Als we niét weg zijn, werken we hard, zijn we spaarzaam en bouwen we vakantiedagen op. Onze kinderen zijn groot genoeg om alleen te blijven (of bij de ex-partner). Wij zagen lange tijd ook zwarte sneeuw, kleine kinderen alléén opvoeden, ’t is niet simpel. Nu is onze tijd gekomen om af en toe ten volle te genieten. Let wel, ook op reis zijn wij erg spaarzaam: we vinden altijd goedkope bestemmingen, vluchten, eetplekjes, en geven zelden geld uit aan toeristische attracties of souvenirs.

Tiny klaagt op restaurant

Doen jullie dat wel eens? De ober aan zijn of haar mouw trekken en zeggen dat iets niet in orde is?

Heel begrijpelijk als je iets bestelt en het is niet het juiste gerecht, dat zou ik ook meteen doen. En als je de wijn voorproeft en hij blijkt zuur te zijn, daar zou ik ook onmiddellijk iets van zeggen, geen probleem.

Maar wat als je het niet lekker vindt? Smaken verschillen, leg je er bij neer? Of zeg je dat?

Wat als je een gerecht bestelt dat je al twintig keer hebt gegeten maar deze éénentwintigste keer trekt het echt op geen bal? Wanneer doe je je mond open?

Ik ben daarin nogal een schijtluis, het moet al echt vreselijk slecht zijn eer ik er iets van zeg. Nu ben ik een makkelijke eter: ik eet zo goed als alles en lust héél veel. Ook ben ik opgevoed met “ouders uit den oorlog” die mij hebben geleerd altijd mijn bord leeg te eten. Heb je al eens aan tafel gezeten met mijn pa? Ik raad het u aan.

De mens is volledig blind, eet altijd met vork en mes op een ongelofelijk simpel lijkende manier en hij eet ALTIJD zijn bord uit tot de laatste kruimel. De laatste erwt zal hij vinden en op zijn vork prikken. Hoe vaak ik al niet heb gemompeld: “Pa, pak het met je vingers, geen haan die er naar kraait” – nee, hij slaagt er altijd in om met vork en mes ALLES op te eten. Wie ben ik dan om iets in mijn bord te laten liggen?

Wij gingen in Spanje naar een ogenschijnlijk ‘sjiek’ restaurant gaan eten. Het was de eerste avond in het dorp en in plaats van twee leek er maar één restaurant te zijn, het lag op een steile heuvel en zoals je weet van mijn vorige blogpost, wil ik na een berg (heuvel) beklommen te hebben, mij gewoon neerploffen en genieten van drank en eten.

Er hing géén menukaart uit. De tafels waren deftig gedekt en ik vreesde al voor een gepeperde rekening, dus fluisterden we: “We nemen gewoon een hoofdgerecht en een glas wijn”.

De mevrouw die ons bediende sprak echt geen woord Engels noch Frans, enkel Spaans. Het menu ook enkel in het Spaans, dus kwam Google translate er aan te pas. Pescada is vis en Rodaballo bleek tarbot te zijn. Laat dat nu één van de lekkerste én duurste vissen te zijn, maar het beestje stond voor 22€ op de kaart, dus was mijn keuze snel gemaakt. De rest was rond dezelfde prijsklasse, dus, het kon erger! Achteraf gezien was dit het duurste hoofdgerecht van onze hele reis.

’t Was met patatjes en wat warme groenten en sla, al bij al viel het goed mee. Ik mag van mijn lief geen foto’s meer maken van mijn eten, dus kan ik het niet tonen, maar geloof mij: het was een vis van een deftig formaat.

Lekker ook.

Maar. Een tarbot (en dat kan ik wel even op een foto van internet tonen) is een platvis maar die is niet overal even plat. Rond de kop is die wat dikker.

Ik vind het ook niet erg om wat te peuzelen en graatjes vis (pun intended) ik er wel uit dus ik begin met staart en zijkanten. Maar hoe meer ik naar het midden ga, hoe minder goed de vis van de graat valt. Hij is zelfs lauw tot een beetje koud in het midden. Ik aarzel. Mijn lief ziet dat en vraagt wat er scheelt. Ik toon het hem. Hij is de man die twee jaar Spaans volgde en ik hoop zo’n beetje dat hij met veel bravoure de kelner zal aanspreken en zeggen: “Excuseer, maar de vis van mijn vrouw is in het midden niet volledig doorbakken.”

Helaas. Na “Perdon, el pescado…” zit hij vast. Enfin, da’s niet waar. Hij begint er niet eens aan. Google translate dan maar weer. Ik roep de ober en zeg “Het is jammer – Es una pena – pero el pescado e non completamente frutti“.

Spaanstaligen zullen zich wellicht onnozel lachen, maar ik illustreerde het probleem en ze rammelde een heel Spaans opstel tegen mij af en nam de vis mee, terug naar de keuken. Ze leek niet boos. Ze liet mijn vork en mes liggen. Ik dacht: “En nu?”

Ondertussen at mijn lief met smaak zijn goedgebakken (dus niet goed gebakken, want dat wil hij niet – zucht) entrecote volledig op. Na tien minuten kreeg ik – echt waar – een volledig nieuw bord. Mét doorbakken vis, met opnieuw patatjes, groenten en sla. Opnieuw rammelde ze zevenentachtig zinnen Spaans af, waarvan ik alleen “en principio” begreep.

Zo at ik dus op één avond zo goed als twee tarbots (tarbotten?) en vroegen we ons nog af of we er twee gingen moeten betalen?

Nee dus. Lekker gegeten, maar we zijn er toch niet meer terug geweest. We gingen wel drie keer terug naar een terras met tapas daar vlak bij (niét op de heuvel en tien keer goedkoper). Een een ober die Engels, Frans en Spaans sprak. (Waarbij wij toch koppig in het Spaans bleven bestellen, hihi.)

Tiny is nog niet van de berg gevallen

Want dat denk ik altijd, dat de volgende titel voor een blogje wordt: Tiny valt van de berg. Of: Tiny in een buitenlands ziekenhuis. Tiny breekt haar been. Tiny moet alleen naar huis. De grootste rampscenario’s spelen zich altijd voor mijn ogen af als ik een berg op loop (of nog heviger als ik de berg afstrompel), of als mijn lief als een berggeit een extra col beklimt en ik een uurtje alleen achter blijf, wachtend en vrezend dat hij zelf van die berg tuimelt en ik alleen achter blijf.

Benasque – Col de Toro

Stress op vakantie.

Leuk hoor, vertrekken en maar drie nachten boeken en dan stoer zeggen van “We zien wel!“, en ontdekken waar we belandden. Maar dan lig ik ’s nachts al eens wakker in een tent, het weer van de komende dagen overpeinzend, in welke regio het beter zou zijn, wat we daar dan kunnen doen, wat voor campings er zouden zijn, of er nog plek is… Lastig.

En toch: ik leef nog. Het lief leeft nog. We spreken al eens een Spaans zinnetje uit en zeggen stoer dat we “un poquito Espagnol” spreken om dan twee snelle Spaanse zinnen later vragen te kijken en stilletjes te mompelen: “Ingles?”

Corona in Spanje, het is wel iets. Je kan er lang over discussiëren, maar wij beslisten om ergens in the middle of nowhere te gaan kamperen, een ecologische camping met weinig plekken, weinig mensen en ruimte zat. Waar het weer mooi is, de bergen hoog en het zwembad(je) fris.

Waar echter ook een felle wind waait, ’s morgens vroeg, waardoor ik mijn tent quasi uitWAAI, al mijn kleren tegelijk aan doe en geen deftig vuurtje kan maken omdat het te veel waait, ergo geen koffie. Enter: grumpy Tiny. Dat doet me dan beslissen om veertig minuten in de auto te rijden naar de dichtstbijzijnde Decathlon (ZO’N fan van die winkel, jongens!) om een windscherm. Un paravientes, dat weet ik nu ook. Om dan uiteindelijk super trots terug te keren op een camping waar het ondertussen 25 graden is en geen zuchtje wind.

Oh ja nog eens over Corona: iedereen hier draagt een mondmasker in publieke ruimtes, dus ook gewoon op straat en OOK de kindjes. Streng! Ik zit er weinig mee in omdat we wel al volledig gevaccineerd zijn, maar we passen toch op en hebben geen contact met andere mensen. Zelfs op een terras, blijft het mondmasker aan en gaat het pas af als je iets drinkt. Zelfs al is het pokkewarm.

Ondertussen is dit onze derde camping, op de eerste hadden we wat last van vliegen, op de tweede waren het soms mieren, maar gelukkig niet in de tent, en hier is het wind. Maar niet altijd dus. En hoera: géén mug te zien!

Rotsformatie Los Mallos en koffiedrinkende Vlaamse.

Ik kijk nog uit naar de hereniging met mijn Duitse vriendin die ik al tien jaar niet meer zag en die nu toevallig op een Franse camping staat waar we in het terug rijden nog even zullen passeren.

De bergwandelingen zijn wat mij betreft achter de rug. Ik ga nog wat boekjes lezen en me verder amuseren met niets doen. Hasta luego!