slechtzienden

Tiny en de blindensport

Ik vraag me af wat jullie algemeen idee daarover is. Hoe sporten blinde of slechtziende mensen? Kan dat nog wel? En wat en hoe?

Ik groeide op onder het waakzaam oog (uh oh!) van ouders met een visuele beperking. Mijn moeder ziet nog een ietsiepietsie, mijn vader niks. Ze waren altijd super actief, zeker toen ik nog klein was en vooral mijn vader. We waren aangesloten bij een Sportvereniging voor Visueel Gehandicapten. Da’s nu een lelijk woord, nu moet je zeggen ‘mensen met een visuele beperking’. Alstublieft dankuwel.

Dat hield in dat we één keer per week gingen zwemmen. Er werden twee baantjes gespannen en er liep een redder naast mijn vader mee, en telkens als hij de rand naderde riep hij  “Ho!” of zoiets, zodat hij wist wanneer te draaien. Ter vergelijking: bij de Paralympics worden blinde zwemmers met een soort spons aan een stok op het hoofd getikt als ze bijna aan de rand zijn.

scan-29Ik zou zeggen, zie foto, maar rechts boven zie je wel het zwembad, maar er kloppen een aantal dingen niet. Speciaal voor de foto deed mijn vader even alsof hij kon vliegen en belandde plat op zijn buik in het water. Totaal niet in zijn gewone baantje. Ook speciaal voor de foto deden ze dat wel eventjes met vier tegelijk! Zonder te kijken (daar gaan we weer) of er nog iemand onder je zwom natuurlijk!

Er werden ook andere sporten beoefend. Rechts onder zie je een wedstrijdfoto van het torbaltornooi. Het watte? Torbal is een sport beoefend door blinden en slechtzienden. Ook zienden kunnen meespelen, maar iedereen moet een zwarte skibril op zetten. Torbal wordt in België veel gespeeld. Er zijn twee ploegen met elk drie spelers. Zij rollen een rinkelbal naar het doel van de tegenstander, onder drie koorden die over het veld gespannen zijn. Aan de koorden hangen belletjes en de bal mag die belletjes niet raken. De spelers kunnen de bal horen, maar niet zien. Ze moeten dus heel goed luisteren en geconcentreerd zijn. Een spel duurt dan ook maar twee keer vijf minuten.

Zo’n tornooi, met verschillende ploegen uit binnen- en buitenland, duurde wel een volledige dag. Ik als kindje moest mee, en moest stil zijn. Gelukkig voor mij geen enkel probleem, want ik bracht altijd wel een paar boeken mee naar de zaal. Mijn vader deed mee, héél af en toe mijn moeder maar ze deed het niet zo graag, en vroeger zelfs nog mijn grootmoeder! Getuige de groepsfoto links boven op het kaartje. Je ziet mij tussen mijn mama en papa en mijn grootmoeder staat glimlachend naast mijn moeder.

Hoogspringen deden ze ook! Daar heb ik geen herinneringen meer aan, maar ik weet dat ze hun passen tellen en dat er een ziende naast staat om hun richting aan te geven. In de Paralympics sprong een blinde al 1m80 en een slechtziende 2m.

Mijn ouders kochten op een bepaald moment ook een tandem. Vooral mijn vader ging vaak fietsen, samen met een vriend. Mijn moeder en ik waren minder fan. Dus hoe romantisch je het ook zou willen voorstellen: ik ben zelden met mijn vader of moeder lange fietstochten gaan maken. Het is ook niet simpel, vooraan zitten op een tandem, je concentreren op evenwicht, de baan, aangeven of ze hard of zacht moeten trappen,… Maar ook dit is een paralympische sport!

Het wordt nog zotter. Mijn vader deed ook een tijdje aan waterskiën en aan windsurfen. Van dat waterskiën heb ik ergens nog een Super 8 filmpje, jammer genoeg geen beeldmateriaal van het windsurfen. Er hing toen een zwarte vlag aan het zeil, zodat andere mensen konden zien dat het een blinde surfer was. En er was steeds een begeleider mee.

Er bestaan nog meer sporten voor blinden: hardlopen, judo, boogschieten, paardrijden, voetbal (alleen de doelman kan dan zien), skiën, langlaufen, zeilen, roeien, schaken,…

Ik verwijs je even door naar de website van Kim Bols, die dit allemaal mooi heeft opgelijst en waar je nog meer kan lezen over blindensport.

Voila, ik ben benieuwd of jullie mond ondertussen al weer dicht is. 😉 Of misschien wisten jullie dat al allemaal natuurlijk.

 

Tiny en Jean

Nee, jammer genoeg heb ik geen foto van hem. Ik durfde niet. En het moment was er niet naar.

Ik schreef over ons telefoongesprek, toen ik een compliment van hem kreeg. Twee dagen later volgde de ontmoeting.

Jean is geboren en getogen in Quaregnon. Hij is 87. De eerste zes maanden van zijn leven had zijn moeder het verschrikkelijk lastig: hij wou maar niet slapen. ’s Nachts na een uur of drie, vier was hij al terug wakker, had honger, huilde, of lag gewoon wat te vertellen. Van alles deed ze om hem  maar te laten slapen, niks hielp. Na zes maanden gaf ze de pogingen op: hij groeide goed, was gezond, alles was in orde met baby Jean.

Toen hij bijna vijftig was, ging hij toch maar eens naar de dokter. Iedereen zei hem dat het niet normaal, niet gezond was, dat hij zoveel werkte en amper sliep. Hij ging naar de specialist in Valenciennes, deed zijn verhaal. Toen hij was uitgesproken, zei de dokter: ‘Bon, Jean, tot zover deze consultatie, ga maar naar huis.’ Jean keek hem vragend aan. ‘Je bent gezond, je doet aan sport, je werkt graag en veel, je eet goed, je drinkt of rookt niet, je hebt geen lichamelijke klachten. Het zit zo: jij behoort tot die luttele vier procent van de wereldbevolking die genoeg heeft aan drie of vier uur slaap. Je hebt er geen last van. Wel, doe zo voort.’

Jean vertelde mij dat hij kinesist was geweest en dat hij dat beroep meer dan vijftig jaar actief heeft beoefend, met alle plezier. Hij doceerde ook aan de hogeschool en combineerde dat met zijn praktijk. Tot hij na zijn zeventigste steeds minder begon te zien en moest stoppen.

We hadden het samen over mensen helpen: hij als kinesist, ik eerst als opvoedster en nu bij mensen met een visuele beperking. Hoe we daar allebei energie van krijgen, van dat contact. We zetten mensen op de goeie weg, we zien hen beetje bij beetje meer onafhankelijk worden. En dat doet ons deugd.

Het klikte tussen ons. Normaal gezien blijf ik nooit zo lang bij een klant zitten, maar ik had nog tijd voor mijn volgende afspraak en het was een aangename mens, geen zaag. En ja, natuurlijk mocht ik even naar het toilet. ‘Excusez moi, het is hier een oud huis, ik woon hier niet, maar ben hier op mijn gemak om te lezen, tv te kijken en te telefoneren. Ik heb nog een ander huis, een mooier. Dus ja, het toilet is behelpen: de spoeling is kapot, maar kijk: ik heb hier een emmer water, een kom met schoon water om uw handen te wassen, en hier is zeep en een propere handdoek.’ En daar durfde ik wel een foto van nemen…


‘Hoe moet ik u noemen, madame of mademoiselle?’ Meestal is dit een oude truc om te weten of je nog single bent. Maar Jean was me voor: ‘Ach tegenwoordig vindt men dat niet meer belangrijk, maar vroeger moest je soms nog mademoiselle zeggen tegen een oud besje van zeventig die nooit getrouwd was.’ Ik zei hem: ‘Zeg maar Tiny.’ Waarop hij natuurlijk meteen aimabel: ‘Zeg dan tegen mij maar Jean.’

Na ons gesprek namen we afscheid: misschien tot nooit meer? ‘Je vous souhaite une bonne journée et une belle vie, Tiny.’ Wat moet je daarop zeggen? Ik wenste hem een verdere goeie gezondheid en mooi bestaan, en dat hij gerust nog eens mocht bellen als hij nog vragen had over zijn toestel. Ik zag zijn ogen vochtig worden achter zijn getinte brillenglazen en hij vroeg of hij me voorzichtig een kus op de wang mocht geven. ‘Mais oui, Jean‘, zei ik en hij gaf me een beleefde doch innige knuffel en een oudemannenzoen.

 

Tiny krijgt een complimentje

Soms zou je iets insta-audio willen opnemen en posten. Net zoals Instagram maar dan met geluidsfragmenten, gesprekken, muziekjes,…

Mijn laatste telefoongesprek op het werk was eentje om in te kaderen. Eentje om mee te nemen naar “Nationale complimentjesdag”.
Op mijn werk hang ik heel veel aan de telefoon, zowel in het Vlaams (en alle mogelijke dialecten) als in het Frans, want de helft van onze klanten zijn Franstalig. Ik geef hen zo goed mogelijk uitleg, probeer een oplossing te zoeken, of maak afspraken voor latere leveringen.

De tijd heeft mij geleerd dat je druk maken aan de telefoon helemaal niks helpt. Ik probeer altijd rustig en kalm te blijven, verhef mijn stem zelden (tenzij ze zwaar slechthorend zijn) en vertel iets stap voor stap. Mijn Frans is zeker niet perfect, maar men begrijpt mij wel.

secretary

Ik had een Franstalige man aan de lijn, hij was al 87, zei hij en ik maakte met hem een afspraak voor een levering over twee dagen. Oh, hij was zo blij dat zijn bestelling al zo snel zou komen en hij spelde me heel exact de naam van zijn straat. Hij ging een extra bordje met het huisnummer voor het venster zetten, zei hij, want het is anders niet duidelijk zichtbaar. Merci, zeg ik, en och, ik heb een gps, maak u geen zorgen, ik zal het wel vinden en ik kom op tijd. “Faites à votre aise“, zegt hij, “doe op uw gemak, als er files zijn, doe geen ongelukken, ik wacht wel.”

Een uur later belt hij nog eens terug, hij had nog een bijkomende vraag, die ik hem meteen kon beantwoorden. “Madame“, zegt hij, “u hebt echt een aangename stem. En ik zal u vertellen, ik ben al zestig jaar slechtziend en beroep mij vaak op mijn gehoor. Een stem aan de telefoon herken ik al snel als vervelend en onvriendelijk, of aangenaam en prettig. En als ik de mens in kwestie dan in het echt leer kennen, ben ik altijd juist: dan is de persoon zelf ook ofwel onvriendelijk, ofwel aangenaam in de omgang. En bij u heb ik een zeer goed gevoel. Ik kijk er erg naar uit om u over twee dagen te zien, niet alleen voor mijn bestelling, maar ook om u te ontmoeten. Het zal zeker een prettige ontmoeting zijn.”

Wauw. Let op, ik zou het herkennen als dit een slijmjurk zou zijn, een eng mannetje die de vrouwtjes een beetje te graag ziet. Deze heer echter, komt gesofisticeerd en correct over, meer zelfs, het klinkt òòk als een erg aangename mens. En ja, ik ben ook benieuwd om hem te ontmoeten.

Kan téllen hé, als compliment?

Mijn stem is inderdaad mijn belangrijkste werkinstrument. Al eerder schreef ik over mijn zingen en mijn presenteren, in vroeger jaren en nu ben ik blij dat ik met mijn stem nog altijd veel (mensen) kan bereiken.