school

Tiny en den Duvel

Een paar dagen geleden kreeg ik een leuke Tiny-cover doorgestuurd, een schoontje, zei Paul, en dat ik daar misschien wel iets mee kon doen. Kwestie van mij wat inspiratie te geven.

Mijn eerste gedacht: oei, ik drink dat nooit. Je zal mij nooit op een terras zien zitten met een Duvel, want dergelijke blonde bieren zijn niet aan mij besteed. Ik drink trouwens zelden bier. Op een fuifje waar ik kan dansen, zou ik wel eens één of enkele pintjes durven drinken, maar nog liever witbier, tarwebier zoals Hoegaarden of een Brugs Tarwebier. Ook enkele non-alcoholische varianten van pilsbier hebben mij wel eens aangenaam verrast.

Ik lust ook wel een blauwe Chimay of een bruine Leffe, maar mijn absolute lievelingsbier is Duchesse de Bourgogne. Maar kom, het ging dus over Duvel en ik had snel één bepaalde herinnering.

Ik beëindigde mijn middelbare schooltijd in 1987. Eén van de laatste schooldagen – of de echt allerlaatste, dat kan ook – was er ’s avonds nog een feestje en daar keek ik wel naar uit. School was echter ’s middags al afgelopen en ik kreeg de vraag om nog iets te gaan drinken met Dirk. Dat was een jongen uit mijn klas, die pas dat laatste jaar bij ons was gestart (en ook geëindigd) maar niet op 1 september maar een maand of zo later. Hij was op elk vlak een vreemde eend in de bijt: één van de zes jongens in een meisjesklas, kwam uit De Haan, was een typische hardrocker, zo eentje die je quasi nooit zag op onze school. Ik ga niet zeggen dat ik er voor viel, maar ik had er een boontje voor. Zijn allereerste lesuur in onze klas bracht hij ook meteen door vlak naast mij en het duurde niet lang voor ik door had dat Dirk iemand was met wie ik goed zou kunnen opschieten. We hadden hetzelfde gevoel voor humor. Nogal droog, zeg maar.

Maar buiten onze “bezinning” (lees zeker mijn verslag daarover hier) deed hij nooit mee met extra activiteiten, kwam hij niet naar het schooltoneel waar ik in meespeelde, niet naar fuiven, niks. Altijd direct na school naar het station en met de trein keerde hij terug naar huis.

En écht de allerlaatste dag bleef hij toch langer in Brugge en gingen wij samen iets drinken. Hij dronk een Duvel en ik kreeg er ook één. We hadden een super gezellig gesprek, veel gelachen, toekomstplannen voorgelegd, herinneringen opgehaald, gepraat over muziek en ik dronk vier Duvels, want ik wou meedoen aan zijn tempo. Tiny wou weer eens de stoere uithangen.

Hoe ik ben thuis geraakt, geen idee. Was ik met de fiets? Ik had toen een brommer, dat kan dus ook. Maar dat feestje ’s avonds, dat heb ik niet eens gehaald. Ik was zat, wist amper mijn bed nog staan en heb geslapen van 18u ’s avonds tot de volgende dag.

Dirk heb ik daarna nog één keer gezien, op onze gezamenlijke verjaardag (want we zijn exact even oud). Het is er later niet meer van gekomen en ik weet niet wat er van hem geworden is. Ik weet wel dat ik sindsdien nooit meer een Duvel heb gedronken.

Dit is de twaalfde dag in #40dagenbloggen

Tiny’s taalgevoel: Frans

Toen ik naar het secundair onderwijs ging, had ik er al twee jaar Frans opzitten. Waar ik eigenlijk weinig mee was, want buiten wat domme woordjes (Papa fume une pipe) en een paar werkwoordsvervoegingen, kon ik niks vertellen in het Frans. Misschien kon ik al wel een liedje zingen: Il court, il court, le furet – meen ik me te herinneren, maar nu ik de tekst opzoek, zegt het me zo goed als niks meer. Volgens mij kon die leerkracht zèlf amper Frans want buiten de verplichte stof, werd er door haar geen woord Frans gesproken.

Ik kénde ook niemand die Frans sprak. Ik keek nooit naar Franse tv, luisterde nooit naar Franse muziek, had trouwens een hekel aan die belachelijke liedjes van eind jaren zeventig, zoals Alexandrie, Alexandra, of La ballade des gens heureux. Mijn moeder had vroeger wel wat Frans geleerd en hield wèl van Franse chansons, maar ze verstond er ook geen bal van. Als ze een LP van Frida Boccara op de draaitafel legde, holde ik snel naar mijn kamer.

Ik startte in het Vernieuwd Secondair Onderwijs. Een nieuwe vorm van middelbaar onderwijs, waarin de eerste twee jaren oriënterend waren en ze ‘zogezegd’ alle kinderen gelijk schakelden: er werd geen onderscheid gemaakt tussen algemeen vormende vakken of praktische vakken, dus de keuze werd uitgesteld. Mooi hé, in theorie? Vond ik ook. Ik vond het dus fantastisch dat ik zowel Latijn leerde, maar ook Huishoudkunde (koken) kreeg, en Technologie (timmeren, solderen, elektro,…). Een gemiste kans, denk ik nu, want al leerde ik wel wat basisreceptjes bij Koken, ik wist niet hoe ik een ruimte moest dweilen of ramen moest lappen. Ik kon wel een paar draadjes aan elkaar solderen maar had geen flauw idee hoe je een lamp moest vervangen.

Talen dan: in het VSO kreeg je de fantastische keuze tussen tweede taal Engels of Frans. Ik denk dat dit voor mij de doorslag heeft gegeven om voor die specifieke school te kiezen want ik wou héél graag Engels leren. Frans had ik ook wel, maar als derde taal, ik denk één of twee uurtjes per week.

Grotendeels was dat herhaling van het basisschool-Frans en ik kon goed mee. Het was niet moeilijk maar ook niet interessant. Ik heb geen idee meer wie mijn leerkrachten Frans waren, de eerste vier jaar van het middelbaar onderwijs.

Toen ik naar het derde jaar ging, moest ik wél een keuze maken en dan had ik de weinig elegante keuze gemaakt “Moderne Talen – Economie”. Daar had ik nog steeds vier uur Engels, twee uur Frans, twee uur Duits en vier uur Economie.

Nu laat mijn geheugen mij een beetje in de steek: was het de overgang naar het derde of naar het vierde middelbaar dat er ineens té weinig leerlingen overblijven voor tweede taal Engels. In het eerste en tweede jaar zaten we met een gezellig groepje van acht leerlingen in de Engelse klas, dat ging goed vooruit. In een volgende blogpost meer over dat Engels.

Toen ik ineens – verplicht – toch moest overschakelen naar tweede taal Frans (en derde taal Engels) was dat een vréselijke ramp. Ze zaten met die klasgroep natuurlijk al een héél stuk verder! Die leerkracht sprak Fràns met ons, altijd! Ik snapte er helemaal niks van. Maar écht niks. Hoe ik werkwoordsvervoegingen moest maken, heb ik grotendeels op mezelf geleerd en vocabulaire is gewoon van buiten blokken, toch? Zo ben ik er wel doorgesparteld, met hier een daar een onvoldoende. Mondeling Frans? Nee, dat was enkel voor de happy few. Les élèves préférées, zeg maar. Ik herinner me niet dat we ooit spontaan Frans moesten praten, wel dat we opgeschreven dialoogjes moesten instuderen en dan voorspelen voor de klas. Papegaaienwerk. Travail de perroquet. Er was in onze ‘vernieuwde’ school zelfs een vooruitstrevend taallabo. Waar je in een soort hokje zat met een koptelefoon en een microfoontje, en ik herinner me dat we één voor één urenlang moesten voorlezen uit “Le grand Meaulnes“, een boek waar ik totaal niks, maar dan ook vraiment RIEN, van begreep. Ik kon het voorlezen ja, maar ik snapte niks. Sàài! Dit was een boek, gepubliceerd in 1913. Goh, zo vernieuwend, dat onderwijs. Pas.Du.Tout. 🙂

Ik hoor iedereen al denken, oh maar je hebt dan toch ook wel Le Petit Prince gelezen? Dat fantastisch mooi klein boekje, een klassieker en echt niet moeilijk? Non, non. Want, souvenez-vous, ik had al enkele jaren “tweede taal Frans” overgeslaan, waarin ze zonder twijfel dat boekje al lang hadden behandeld. Nooit van dichtbij gezien dus.

Het ging van kwaad naar erger. In het vijfde middelbaar had ik echt een bloedhekel aan dat Frans gekregen, ik spartelde om boven te blijven, maar dat jaar waren ook mijn wetenschappelijke vakken een ramp, zo ook het verplichte Lichamelijke Opvoeding, en ik was voor dat alles gebuisd, dus moest ik een jaar blijven zitten. Ik heb toen ook nog een paar bijlessen Frans gekregen, van een kennis van mijn ouders, maar dat heeft niet veel opgeleverd. De laatste jaren van het middelbaar onderwijs heb ik me suf gestudeerd op dat Frans maar ik kon geen deftige zin uitspreken in het dagelijkse leven.

Ik liet Frankrijk en de Ardennen als reisbestemming links liggen, en mijn gebrek aan de kennis van het Frans was daar mee verantwoordelijk voor.

Ik koos een richting Hoger Onderwijs die niets met talen te maken had en waar je absoluut geen enkel woord Frans voor moest kennen. Toen ik dan toch eens op reis ging naar de Dordogne, had ik een vriend mee die wellicht vijf woorden meer Frans kende, maar het ook durfde spreken.

Nee, nooit een Franstalig lief gehad. Ja, ’t is een mirakel.

Oh, en weet je nog die vakantiejob in een kinderklerenwinkel in Blankenberge? Veel Waalse toeristen kwamen daar langs, wat heb ik daar gezweet! Ik leerde ’s avonds nog snel de meeste prijzen uit mijn hoofd, want hoe zeg je dat nu weer, 599 in ’t Frans? Spreken met die Franstalige klanten was écht een ramp!

Even doorspoelen naar het jaar 2002: ik veranderde van job, ging terug werken in Brugge, bij mijn huidige werkgever (iets met technologie en blinden en slechtzienden) en wat bleek: zowat de helft van onze klanten zijn Franstalig. Ik herinner me nog mijn sollicitatiegesprek, mijn baas vroeg me in ’t Frans hoe mijn vakantie was geweest. Ongelofelijk, maar waar: ik was op reis geweest naar Frankrijk, met mijn toen zesjarige zoon, maar ik kon daar àmper iets zinnigs over vertellen. Bon, zei hij, ik wil je graag de job geven, maar je zal toch bijles Frans moeten volgen. Pas de problème monsieur, zei ik.

Tiny ging terug naar school, er bleken acht schooljaren Frans te zijn en gezien mijn opleiding (Moderne Talen in het middelbaar, haha) zeiden ze: het vijfde jaar zul je wel aankunnen. Ik deed een test, schriftelijk, slaagde met vlag en wimpel en mocht daar effectief starten. Wat bleek: de eerste twee lessen kregen we herhaling grammatica, ik zat me stierlijk te vervelen tussen de subjunctif en de passé composé, want dat had ik al méér dan genoeg geleerd, dàt kon ik wel. Ik ging ‘klagen’ bij de leerkracht en zei dat ik zo geen conversatie ging kunnen leren. Nog een test later dropten ze me in het zevende jaar. Acht studenten en zo goed als de hele avond Frans BABBELEN. Ik begreep héél veel, zo bleek, maar kon niet praten. Dat schooljaar heb ik enorm véél geleerd, van dagelijkse woordenschat, tot een journaal volgen, met veel domme fouten, maar ik durfde praten en ging mijn plan trekken.

Ondertussen kreeg ik op mijn werk veel Franse klanten aan de lijn, hield ik een schriftje bij met vakjargon in ’t Frans:

  • un souris: een muis
  • fichier: bestand
  • sauvegarder: opslaan
  • raccourci: sneltoets
  • configurations: instellingen
  • agrandir: vergroten
  • déficient visuel: gezichtsbeperking

En een maand na mijn start moest ik al mee naar een beurs in Charleroi: alles uitleggen in het Frans. Daar heb ik geleerd dat alles ook “un truc” is (een dingetje) en dat je op die manier én met veel gebaren en demonstraties ook iets kan uitleggen. De Walen betitelden die ‘truc’ dan vaak met het juiste woord en op die manier heb ik veel geleerd.

Na bijna negentien jaar kan ik mij in het Frans goed uit de slag trekken – je me débrouille – is één van de eerste zinnetjes die ik leerde, en krijg ik vaak complimentjes van Franstaligen. Maar, Frans praten buiten mijn werk, of een conversatie die niet werkgerelateerd is, vind ik nog steeds moeilijk. Als klanten een praatje tussendoor willen maken, moet ik al wat meer nadenken. Ik maak nog steeds fouten, maar ik leer ook nog steeds bij.

Als ik kijk naar onze kinderen (24, 19 en 16 jaar oud nu): is dat onderwijssysteem nog steeds een ramp, wat het Frans betreft. Ze komen uit het middelbaar, hebben uren en uren Frans gehad, veel grammatica en vocabulaire geblokt, maar kunnen NIET spreken en amper iets verstaan. Het is en blijft een ramp.

Tiny kan het niet: 10 dingen

 

De opschepper in mij schreef al eens over de dingen die ze ‘een beetje’ kan. Maar het omgekeerde is wellicht grappiger.

  1. Fluiten

Ik kan wel een klein wijsje fluiten maar dat heeft geduurd tot mijn twintigste eer ik dat een beetje kon en er komt eigenlijk amper geluid uit. Op je vingers fluiten bij een concert bijvoorbeeld, vind ik super stoer als een vrouw dat doet, maar ik kan dat dus helaas niet.

2. Knipogen

Vraag mij om te knipogen en je ligt gegarandeerd plat van het lachen. Ik doe een verwoede poging en heel mijn gezicht gaat in een kramp. Of ik druk met mijn vingers één oog dicht, is dat ook goed?

3. Kauwgombellen blazen

Hoe cool was dat niet, zeg? Mijn vriendin kauwde hele dagen kauwgom en blies er dan de meest fantastische bellen mee, je hebt ook zo’n merk van kauwgom, Bubblicious of zo, waar dat nog véél beter mee gaat. Ook hier weer: ik heb duizenden pogingen ondernomen, een cursus gevolgd en massa’s tips gekregen, maar ik kan het niet.

4. Skiën

En eigenlijk alles waar je een zekere vorm van evenwicht voor nodig hebt. Dingen in de sneeuw zijn sowieso al niks voor mij, brr. Schaatsen kon ik nog een beetje, maar deed ik vooral om in het gezelschap van de coole gasten te zijn. En voor het café in het Boudewijnpark. 🙂

5. Voetballen

Goh er zijn veel sporten die ik niet kan, of niet goed kan, en vooral balsporten dan. Maar basket of volley zou me nog enigszins lukken (oh my god, ik hoop dat mijn lief dit niet leest). Voetballen daarentegen. Ik heb een zoon die het gelukkig ook niet kan, hoe zou dat komen? Van mij heeft hij het in elk geval nooit geleerd. Als er al een bal mijn richting uit komt, dan is de kans misschien 2 procent dat ik mijn voet daar tegen zal houden en die in een andere richting zal trappen. De kans is veel groter dat die bal gewoon tegen mijn kop zal vliegen, of dat ik gewoon héél hard weg loop in de andere richting.

6. Uitslapen

Zelfs al ben ik uit geweest tot ’s morgens vroeg, een paar uur later ben ik toch al weer wakker. Fris wakker, hmm dat nu ook niet, maar ik kan gewoon niet blijven liggen. Als ik in het weekend al eens slaap tot na achten is het een groot mirakel. Laat opblijven lukt me trouwens ook niet, tenzij ik in héél boeiend gezelschap zit OF als ik kan dansen. Vaak ben ik blij dat het 22 uur is en dat ik in mijn bed kan kruipen.

7. Planten verzorgen

Alles gaat dood bij mij. Gelukkig blijven de huisgenoten wel leven en de huisdieren over het algemeen ook. Geef mij de allermakkelijkste plant en die gaat nog dood. Zelfs de cactussen zagen er triestig uit. Ik begin er dus niet eens meer aan.

8. Rekenen

De gewone rekensommen lukken nog wel, maar vaak maak ik daar ook fouten in. Vraag mij dus niet om de rekening te delen op café want dat loopt gegarandeerd fout. Zelfs al heb ik een rekenmachine. Procenten berekenen of de regel van drie (of is het van vier?) lukt mij amper. Ook hier: ik begin er niet meer aan. Ik vraag het aan iemand anders, want geef mij een app of een machientje en ik draai die cijfers nog in de soep.

9. Over de bok springen (haasje over)

bok

Uren en avonden lang heb ik dit geoefend met mijn vader. Ik moést dit kunnen in de turnles, maar zelfs als die stomme bok op het laagste stond, geraakte ik er nog niet over. Eerst lopen, je dan afzetten en met je handen steunen, dan je benen spreiden en springen: het zijn te veel bizarre bewegingen na elkaar. En ooit in de jeugdbeweging moesten we zoals op de foto hierboven in een kring staan en zo iedereen over je rug laten springen en dat dan zelf doen. Drama! Iemand wou zelfs niet eens over mijn rug springen omdat ze te veel mijn ribben voelde, ze vond dat vies. Jeugdtrauma’s dus.

10. Breien

Wat. Een. Rotklus. Waarom moet je dat in ’s hemelsnaam leren? Wie breit er nu nog? Haken idem. Zowel mijn vriendin als mijn moeder kon dat supergoed, dus mocht ’s avonds na school mijn moeder die domme vis afbreien (dat werd dan een kussen, hoe kwamen ze er op??). En ja, mijn moeder is blind. En die kon dat dus. Hoe stom denk je dat ik me toen voelde?

Laat die kinderen een knoop aannaaien, iets inzoomen, met een naaimachine leren werken en nog beter: huishoudelijke klusjes! Breien in ’s hemelsnaam. Zucht.