rock

Tiny en Roger

Het wordt bijna een serie: Tiny en Philip, Tiny en Paul, Tiny en wie nog allemaal….

Deze keer ben ik helemaal in de ban van Roger Daltrey en zijn nieuwe boek. Roger who? Ja, juist: die Roger van The Who. Als je nu nog eens zegt: “De wie-dadde??” haal ik je persoonlijk door de internetkabel. Ken uw klassiekers alstublieft!Roger2

Roger Daltrey is al sinds 1964 de leadzanger van The Who, die fameuze rockband die vaak beruchter was voor hun herorganiseren van hotelkamers, dan voor hun muziek. The Who, van een aantal toch super gekende nummers: My generation, Substitute, You better you bet, the rockopera Tommy, Pinball Wizard… Allee, hier eentje om je geheugen op te frissen:

(Let vooral ook op drummer Keith Moon die als een malle tekeer gaat, en kijk of zap naar het einde waar gitarist Pete Townsend zijn gitaar in frut slaat: dat werd als kunst beschouwd en was ook typisch voor de band!)

Enfin, Roger heeft nu een biografie geschreven en omdat ik hou van zelfgeschreven en zelfvertelde biografieën, kocht ik het audiobook op audible.fr en begon te luisteren. Roger vertelt het zelf, in zijn heerlijk sappig Londens accent (net als Phil Collins destijds), er zit humor in, het is niet saai, je leert er van bij, en als voormalig leadzangeresje van onbekende bands kon ik wel relateren aan wat ervaringen.roger3

Al vroeg in het verhaal deelt hij zijn mening over zingen: Er wordt bijna niet meer gezongen op straat of op het werk, overal speelt wel een radio. Die waren er vroeger niet (in de jaren vijftig) dus zongen de mensen vaak zelf. Of je nu goed kon zingen of niet, dat had geen belang. Zingen verbindt. Zeker als je in groep zingt, of het nu in een koor is, een vereniging, een vriendengroep,… Er komt een soort energie vrij als je zingt, en als je samen zingt, kom je in harmonie, je wordt er vrolijk van. 

Ik geef hem overschot van gelijk en zat in mijn auto te knikken als een gek.

Roger was in zijn jonge jaren echt een jonge hippie-god, blonde lange krullen, mooi gezichtje, bruin gebrand, atletisch,… Ja, ja, ’t zou gewerkt hebben bij mij.

Maar hij vertelt ook over het drugsgebruik in die jaren, de chaos op Woodstock, het ellenlange wachten vooraleer je op een podium moet en de saaiheid daarvan, zijn agressief gedrag en de gevolgen,… Toch is hij een van de weinige rockers die al sinds 1970 getrouwd is en nog altijd samen is met zijn Heather. Hoewel hij héél eerlijk toegeeft dat hij, tijdens maandenlange tours zonder echtgenote, niet altijd a good boy was. En dat er een verschil is tussen a shag when you’re lonely en falling in love with someone else. Maar dat hij ze nog altijd graag ziet, en zij hem. Schoon hé.

Roger had ook een filmcarrière én een solocarrière waar ik vooral dit nummer van heb onthouden, ik vind het nog steeds een prachtige love ballad:

Oh en nog een klein woordje voor de dertigers onder jullie, je denkt misschien dat Behind Blue Eyes van Limp Bizkit is, ha ha ha, nee zulle. Ook dit nummer is origineel van The Who:

Ik las eerder al de autobiografie van Bruce Springsteen, van Gene Simmons (Kiss), van Phil Collins, en ik wil er nog lezen. Alleen die van Robbie Williams vond ik saai. Misschien omdat het niet door hemzelf werd ingelezen maar door iemand die zijn stem nadeed. Raar. Als je nog tips hebt, dan ga ik op zoek of ze ook werden ingelezen door de schrijver zelf, want dat is toch een belangrijk verschil.

En ja, ik ben misschien een klein beetje geobsedeerd door muziek. 😉

Tiny als covergirl

Sorry, de vlag dekt de lading niet, maar geef toe, ’t is een catchy titel nietwaar? 😉

Samaja vroeg een tijdje geleden wat ik zo allemaal beleefde als zangeres, het gaat hier dus over Tiny in een coverband. Ik schreef al eens eerder over de laatste keer dat ik op een (mini-)podium een liedje zong, karaoke dus eigenlijk telde dat niet mee.

Toen ik achttien of negentien was, speelde een klasgenoot in een bandje en ze zochten nog een achtergrondzangeres. Omdat ik al eens op de radio in een live-uitzending iets had meegezongen, vond hij dat ik niet slecht zong en vroeg hij mij of ik wou meedoen. Ik zag het meteen groots en droomde al van een carrière als rockzangeres. Haha.

Laat ik je meteen iets duidelijk maken: backing vocals in een groep is niet zo simpel. Als je denkt dat je een beetje ooooh en aaah en aha-aha, mhm-mhm moet staan neurieën en een bijkomend dansje uitvoeren, vergeet dat maar vlug. Er kruipen uren en uren zoeken en oefenen in, harmonieën vinden op een bepaalde melodie is iets wat je voor een stuk kan leren, maar wat je vooral moet ‘horen’. Ik kan het moeilijk uitleggen. Maar ik kon het wel.

Het is zalig als je met twee backings bent, omdat je dan eigenlijk drie melodielijnen hebt: die van de leadzanger(es), en twee extra’s om harmonieën mee te vormen. Voorbeelden: kijk gewoon de volledige film van The Commitments, of als je geen tijd hebt, gewoon dit filmpje, en ja het duurt tot halverwege het nummer tot ze in actie komen:

Jaren en enkele groepjes later, werd ik gevraagd of ik niet gewoon lead wou zingen. Samen met een andere zanger afwisselend. En dat vond ik super: je kan je eigen ding doen, nummers alleen zingen en ze naar je hand zetten en toch ook nog altijd backing vocals zoeken als de ander een nummer alleen zingt en vice versa. In die tijd begon ik ook met eigen nummers te schrijven, zowel in het Engels als in het Nederlands. Ik maakte de teksten en vond de melodie op een akkoordenreeks die de gitarist of toetsenist speelde. Een heerlijke periode, we werden vrienden, gingen samen naar de Ardennen om te brainstormen over een groepsnaam, inspecteerden elkaars nieuw lief, werden eregast of zongen op elkaars huwelijk, kwamen bij elkaar uithuilen als de relatie gedaan was en onze frustraties uitwerken in het repetitiekot.

Maar het bleken ook avonden lang wachten in een koude en kille kleedkamer, tot je op mocht, ruzies omdat we het niet eens geraakten over de structuur van een nummer, liefjes die eerder onruststokers waren dan aangenaam publiek, en op den duur ga je dan uit elkaar of laat je iemand vervangen door een ander. Of het koppel in de groep gaat uit elkaar en heel de band valt uiteen.

Op naar een volgend groepje dan: samen met nog een zangeres lead vocals zingen en super goed overeen komen. Haar later horen zeggen dat ik haar grote voorbeeld was en haar nu nog altijd zien schitteren op een podium hier en daar. Terwijl ze ondertussen veel beter zingt dan ik! Ik weet al niet meer hoe dit is gestopt, een gitarist die weg viel of een zanger die er bij kwam, maar het was niet meer wat het geweest was.

Het laatste groepje was een ferme groep: we waren met negen en dat is wel een beetje veel. Als iedereen zich altijd moet kunnen vrijmaken voor repetities en optredens en je zit met leeftijdsverschillen en nog enkele studentjes… En er was vaak onenigheid over het repertoire. En er werd nogal wat afgerookt tijdens repetities, daar had ik het echt wel moeilijk mee. En ik ging verhuizen naar Wevelgem… Dus voila, einde verhaal.

Als er iemand ooit een backing of leadzangeres nodig heeft voor een klein projectje, dan zie ik dat nog altijd zitten. Maar echt terug in een groep, nee, daar bedank ik voor, dat heb ik gehad. Oh en een karaoke-avond zal ik ook niet afzeggen… 😉

Wie wil weten hoe ik klink, is er aan voor de moeite, mijn eigen stem werd wel opgenomen, maar die ga ik niet delen. Enkele zeiden me dat de stem van Ilse Delanghe nogal lijkt op die van mij, dus hop, daar moet je het maar mee doen:

Tiny en de Arafat-sjaal

’s Morgens een sms: “Mama breng je je oude sjaal mee?”

Eerst denk ik: Huh? Maar al snel weet ik wat hij bedoelt. Jaren geleden toonde ik hem een zwart-witte sjaal en zei ik: “Die kun je dragen! Lekker warm, past bij alles, zeker bij alles wat jij draagt.” Het was niet goed. Het was te oud. Het was belachelijk: een sjaal van zijn mama.

De sjaal in kwestie is vele jaren ouder dan hijzelf. Hoe oud precies, dat weet ik niet. Maar dat ik hem ooit kocht in een winkeltje in het Zilverpand in Brugge, dat wel. Een winkeltje waar ze zowat alle kleren en accessoires hadden voor de échte en de would-be rock’n’rollers van de jaren tachtig. En voor de skinheads. En voor de new-wavers. En voor de hardrockers. Veel zwart dus. Mijn moeder heeft er zelden een stap binnen gezet, vermoed ik.

Ik had hem al toen ik twaalf was, want ergens heb ik nog een foto van mijn moeder en mij. Ergens net voor of net na mijn Plechtige Communie aan mijn kapsel en bril te zien. We stonden samen in een fotografiewinkel ergens in Knokke, om een Polaroid-camera te kopen. Blijkbaar had de fotograaf die drie huizen naast ons woonde, die niet in huis. En deze foto was de eerste test.

14971529_10154695732836972_615050003_o

De Arafat-sjaal, want zo werd die door iedereen genoemd, bleek onverslijtbaar. Hij rook ofwel naar mijn parfum, ofwel naar een of ander jongmens, en altijd wel naar sigarettenrook en bier. Café’s in de jaren tachtig hé… Lekker warm voor op de fiets, en later op de brommer. Waarom de sjaal naar Arafat werd genoemd, lees je hier.

De sjaal ging met mij mee op kot. Toen ik een vriend had die zijn sjaal vergeten was en putje winter nog terug moest naar Antwerpen, met de brommer, leende ik hem met plezier.

Het werd lente, en ik had een nieuw lief. Ik ging niet meer op bezoek naar die vriend en hij niet meer naar mij. Hij verhuisde, ging samenwonen, trouwen, we verloren elkaar compleet uit het oog. De sjaal was weg.

Twintig jaar geleden hebben we elkaar wel nog eens gebeld en ik herinnerde hem: “Heb jij nog altijd mijn Arafat-sjaal?” Ja ja, zo verzekerde hij mij, die ligt hier zeker en vast ergens op zolder. (In mijn hoofd klonk het als “die zie ik nooit meer terug”. Niet de sjaal, niet de vriend.

Acht jaar geleden kom ik met mijn gezicht in het VTM-nieuws. Couchsurfing is booming en ik leg het allemaal uit. De Antwerpse vriend zoekt mijn profiel, vindt mij op Facebook en stuurt mij een mail. We moeten nog eens afspreken! Ja! En breng ondertussen mijn sjaal misschien mee. Het lijkt ongelofelijk, maar zo geschiedde.

Ik had hem terug! De sjaal, wel te verstaan. Afgebleekt, tientallen keren gewassen, maar in één stuk. Ben ik hem dan meteen terug beginnen dragen? Eh nee, wegens niet meer echt fashionable, en mijn rock’n’roll-jaren liggen al een tijdje achter mij. Maar ik zou hem nooit weggooien.

Een tijdje geleden dacht ik dus, mijn zoon mag hem wel erven, hij zou er nog mee staan ook. Maar nee, daar had hij geen trek in. Tot deze morgen. Ineens is Arafat weer cool.

Ik heb hem plechtig overhandigd en het moment vereeuwigd. 🙂

merijn

Het zwaard boven ons hoofd is een grapje van de zoon. Beetje aparte humor. 😉