opvoeding

Zuster Tiny

Toen we in Gullegem voor de kapel van OLV ter Troost zaten, had ik eigenlijk zin om een beetje naar dat Mariabeeld te staren. Noem het een meditatieoefening, noem het bidden, noem het wegdromen,… Noem het niks.

Maar mijn lief was mee en ik wou toch wat sociaal zijn…

Ik vroeg hem of hij nog zijn weesgegroetje kende. We geraakten allebei niet verder dan “Wees gegroet Maria, vol van genade… Moeder Gods bid voor ons…. nu en in het uur van onze dood, Amen.”

De rest is weggedoken in de diepe kronkels van ons geheugen. We zijn allebei katholiek opgevoed. Dat is te zeggen… ik ga nu even alleen voor mezelf spreken.

Ik ben altijd naar een katholieke school gegaan, zowel de lagere school als de middelbare school. Er was in die late jaren zeventig nog een zuster directrice en de school lag naast een klooster(tje). In het middelbaar liep hier en daar nog een zuster rond (want ook daar was een klooster naast: de zusters van Sint Andreas) maar er waren er geen meer die les gaven.

Mijn ouders dachten niet na over al dan niet katholiek zijn. Zolang mijn grootvader leefde, gingen we wel élke zondag naar de kerk. Ik heb mijn Eerste Communie gedaan, zes jaar later mijn Vormsel, en ik dacht daar niet over na. Dat wàs gewoon zo. Het interesseerde mij wel. Voor mijn achtste verjaardag kreeg ik een hele dikke kinderbijbel en ik kan met enige trots en volledige zekerheid zeggen dat ik die vol-le-dig heb uitgelezen. Alle bijbelverhalen werden eenvoudig verteld en ik vond dat leuk om lezen.

Mijn grootmoeder van vaders kant was veel strenger katholiek: daar werd gebeden voor elke maaltijd (een weesgegroetje) en ik kreeg een kruisje op mijn voorhoofd (godzegenenbewareje) voor ik daar ging slapen.

In de middelbare school kregen we 2 uur godsdienst per week. Vaak was dat saai, zeker begin jaren tachtig. Je moest een Bijbel hebben, een échte deze keer, met van die dunne blaadjes en daar moest regelmatig iets in opgezocht worden en besproken. Gelukkig had ik de eerste twee jaar een fantastische Godsdienstleerkracht. Ik geloof dat ze toen ook nog maar net in de twintig was en ze doorspekte al haar verplichte leerstof met tal van grappige verhalen.

Nadat ik van mijn acht jaar tot mijn veertien muziekles had gevolgd in de parochie, stopte ik daarmee maar ging ik wel in het jeugdkoor van de parochie. Daar werden vaak christelijke liedjes gezongen, regelmatig moest er een mis opgeluisterd worden met onze gezangen. Wel een toffe bende! Dus ja, zingen in het Latijn (miserere nobis en in excelsis deo) was mij niet vreemd. Toen ik een jaar of twintig was ging ik samen met mijn moeder in een écht koor en heb daar ook ettelijke jaren meegezongen met de alten. Niet alleen misgezangen, maar ook moderne stukken.

Ik ben getrouwd voor de kerk. Vooral vanwege de traditie en omdat ik dat per se wel wou en ook om mijn (toen nog levende) grootmoeder een plezier te doen. Ze kwam helemaal uit Wuustwezel om dat mee te maken. Ik schreef al eerder hier over mijn fantastische trouwdag. Ahum, kuch kuch.

Die godsdienstlerares in het middelbaar deed mij al snel nadenken, kritisch nadenken over het geloof. Waarom gingen we naar de kerk? Waarom dreunde iedereen hetzelfde zinnetje op? Waarom is die bijbel zo belangrijk? Is dat allemaal wel echt gebeurd? Hoe zit dat nu precies, die geschiedenis? Waarom maakt iedereen op heel de wereld daar zoveel tam tam over en zijn er zoveel oorlogen die ontstaan door een geloofsovertuiging? Mijn tienerbrein werkte overuren.

Ik werd agnosticus. Dat werd ik pas toen ik eenmaal doorhad wat het woord betekende: geen overtuiging hebben of er nu wel of niet een bovennatuurlijke macht is. Ik weet het niet. Ik weet het nog altijd niet. Ik lig er ook niet wakker van en ik ben zeer verdraagzaam. Ik geloof in de mens en in de goedheid. Dat is het antwoord wat ik gaf op de vraag “Bent u christelijk?” bij mijn sollicitatie in de school van Spermalie. En blijkbaar was dat goed genoeg want ik werd aanvaard.

Voor mijn werk kom ik regelmatig bij oudere geestelijken: in abdijen, kloosters, gebedshuizen… waar ze slechtziende of blinde paters of zusters hebben. Daar eenmaal binnen, komt er een rust over mij. Ik wil er altijd nog wel een beetje langer blijven. Die gebouwen zijn ook zo fascinerend. Die mensen zo kalm en vriendelijk, rustgevend. Op mijn werk weten ze al dat ze mij daar altijd naar toe mogen sturen. “Ah, de klant is een Norbertijn op pensioen? Een kloosterzuster van Sint-Jan? We sturen Tiny!”

Meditatie heeft op zich niks te maken met religie. In elk geloof wordt er wel gemediteerd, mantra’s gezongen of gebeden opgezegd. Als het hun rust of inzicht brengt, is dat toch al een dikke meevaller? “Mijn religie is vriendelijkheid“, zei de Dalai Lama.

Tiny blogt: hoe en waarom

De derde aflevering van deze challenge, de dames van Blogboost vragen ons waarom we bloggen, waar we dat doen, hoe en hoe lang, met wat, kortom: een blik achter de schermen.

Ik ben gestart met bloggen in augustus 2014, het lijkt een eeuwigheid geleden. Omdat ik al lang iets wou doen met schrijven en foto’s nemen, zocht ik een medium om mijn ei kwijt te kunnen. Instagram was nog niet van tel, en daar is de tekst sowieso van ondergeschikt belang, dus ik ben nog altijd van mening dat een blog (een long read) een meerwaarde biedt.

Heel blij was ik met het Blogboek van Kelly, dat ik bij haar persoonlijk ben gaan ophalen. Ik las haar blog al een tijdje en zij heeft me enorm geïnspireerd. Al snel ontdekte ik ook de blog van Liese, en die van Thomas Pannenkoek. Deze twee medebloggers doen nog steeds hun uiterste best en ik heb écht ALLES van hen gelezen. De eerste heb ik al vele malen in ’t echt ontmoet, de tweede niet, maar dat zou nog altijd wel eens zomaar kunnen gebeuren. Hij woont bij mijn ouders om de hoek, dus…

En ja, dat is voor mij een prettige meerwaarde: dat ik mensen ontmoet heb die ook enthousiast bloggen, op een blogmeeting, of privé,… en ik mag zeggen dat enkelen échte vriendinnen zijn geworden. Mijn wandelcontacten zijn (niet) toevallig allemaal bloggers.

Samen met Lieselotte (wie is wie?)

Ik heb geen moeite met schrijven. Hoe ontstaat bij mij een blogpost? Met een wild idee. En dan begin ik gewoon rechtstreeks in WordPress te typen, ik maak geen planning, geen schema, gewoon schrijven. Méér tijd heb ik nodig om de juiste foto er bij te vinden. Maar soms ben ik ook vertrokken met een foto, en vertel ik daar een verhaal over. Een hoop voorbeelden vind je als je zoekt op Reisfotochallenge op deze pagina.

Foto’s zijn voor mij belangrijk, ik volgde een hoop fotocursussen en heb daar regelmatig over geblogd, en ja dat is ook een beetje opscheppen hé.

Kijk. Een blog is toch een soort podium. Je wil iets vertellen zonder dat iemand je onderbreekt. Het internet is je theaterzaal. En er komen mensen kijken (lezen). Ze reageren ook vaak, zijn kritisch, of geven complimentjes. Er is dus interactie en dat maakt ook dat je als blogger blijft doorgaan, denk ik. Mensen die mij kennen buiten de blog, reageren ook vaak privé. Antwoorden op vragen die ik mij stel, geven achtergrondinformatie of hun mening. Dat is toch leuk? Dat is je applaus!

We zijn allemaal aandachtshoeren”, heb ik ooit op een blogmeeting gedropt. Maar dat is toch ook zo? Het is een uitlaatklep en een stille schreeuw naar aandacht. We moeten daar niet flauw over doen, daar is niks mis mee. Bloggen heeft me al vaak geholpen om iets te verwerken. Of om iets uit te leggen. Mijn meest gelezen blogpost was Tiny is het beu, over mijn onmacht om met mijn zoon om te gaan, hij was toen achttien. Dat verhaal heeft héél veel in gang gezet en zorgde voor véél meer begrip, zeker bij mensen die ik ken. (Mijn collega kwam mij de dag nadien zelfs knuffelen. Dat vergeet ik nooit.)

Al is er soms twijfel, of gebrek aan inspiratie, ik ga nog wel even door met bloggen. Ik nodig iedereen uit om op mijn hersenspinsels te reageren, fouten te verbeteren, opmerkingen te maken, herkenningspunten te zoeken, verschillen te bemerken, want dat maakt ons menselijk. Dat verbindt ons. Zelfs over het Internet.

Ik dank jullie!

Tiny en de trotse ouders

It’s that time of the year again…  Facebook, Instagram, maar ook “in real life” hoor en zie je overal trotse ouders die pronken met hun geslaagde kinderen.

Begrijpelijk. Héél normaal dat je blinkt als een kerstboom en dat je jezelf trots op de borst mag slaan als zoon of dochter weer een jaar doorgesparteld hebben en verder mogen naar een volgend schooljaar, de hogeschool, de universiteit en kunnen genieten van een zorgeloze vakantie. Als ouder heb je ook flink je best gedaan om ze daar in te begeleiden. Serieus én welgemeend: chapeau en proficiat.

Elk jaar opnieuw vraag ik om je soms toch een beetje in te houden. Elk jaar opnieuw zijn er méér dan genoeg mensen bij wie het allemaal niet van een leien dakje verloopt. Bij wie het kind na verschillende moeilijke jaren er al helemààl niet geraakt is. Die door gezondheid- of psychische problemen niet door die examens of die toetsen is geraakt. Die soms wel slim genoeg is, maar de druk en het studeren gewoon niet aankan. En die er het volgend jaar wellicht ook niet zal geraken. Bij wie er tijdens het oudercontact gesproken wordt over heroriëntering, deeltijds leren, studiebegeleiding, medicatie, psychotherapie,…

Stel je voor hoeveel pijn het telkens doet om wéér een bericht te lezen van “Hoera, Pietje is geslaagd!” of “Wat een mooi resultaat voor Mieke – fiere mama en papa!”. Terwijl je zelf in zak en as zit en niet weet waar gekropen van schaamte, verdriet en schuldgevoel.

Denk er eens over na.