nederlands

Tiny speelde toneel (1)

Tiny speelt toneel

Misschien was ik geïnspireerd door de Tiny-boekjes want in eentje speelde het hoofdpersonage niet alleen toneel, ze regisseerde ook heel het stuk en ze gaf iedereen kleren uit oma’s kist op zolder.

Als kind deed ik niet liever, me verkleden, iets uitvinden en dan improviseren, vaak gewoon alleen en met mijn ouders als toeschouwers, later met mijn vriendin: ontelbare keren gingen we zogezegd op restaurant, was zij een sjieke dame en ik een boerin die nog nooit een servet van dichtbij had gezien.

Ik vond nog een oude foto, ter illustratie, ik moet een jaar of zes geweest zijn.

In de lagere school probeerde ik ook vriendinnetjes in te lijven om samen “toneeltje” te spelen maar dat had zelden succes.

In het middelbaar, dat befaamde VSO, kreeg ik (of koos ik) als keuzevak “Aanvullend Nederlands” in het vijfde en zesde jaar: poëzie, toneel, dictie, het kwam allemaal aan bod en ik herleefde. Die lesuren waren een ware oase voor mij tussen wiskunde en chemie en Frans.

Er woei ook een frisse wind door het gebouw, met enkele jonge nieuwe leerkrachten, waaronder Peter Van Dycke, ik noem hem met naam omdat die man een standbeeld verdient. Hij blies het stof van de muffe leerstof, was enthousiast en leerde mij zelfs plezier hebben in verhandelingen schrijven. Ik mocht mijn geschreven teksten illustreren met songteksten en hij schreef er zelfs als opmerking een stuk uit een andere songtekst bij.

Toen ik in het laatste jaar van de humaniora zat, deed hij er nog een schepje bovenop. Samen met nog twee andere leerkrachten en de leerkracht muziek, was hij de drijvende kracht achter het toneelstuk “Koning van Katoren”, naar het jeugdboek van Jan Terlouw. Ik overdrijf niet als ik zeg dat de halve school dol-enthousiast was, en ik niet in het minst. Er was slechts plaats voor 47 acteurs, al dan niet met tekst, hoofdrollen, bijrollen, dansers, muzikanten en er waren meer dan 100 gegadigden. Dus werd er voor de meeste rollen een ware auditie gehouden. Ik geloof dat we een tekst moesten voorlezen en ook een stukje improviseren. Het was met auditierondes en al! Ik belandde in de derde en laatste ronde en het ging tussen nog een meisje en ik. Zij was een vriendin, en ik gunde het haar ook wel maar ik moést en ik zou de rol hebben, het ging over een hele belangrijke rol, namelijk de vriendin van het hoofdpersonage. Als test werd er een stukje van de tekst geoefend samen met de jongen die het hoofdpersonage, Stach, zou spelen. Een jong ventje uit het vierde. Maar wél een talentje! Het ging goed, vond ik…

Ik herinner me nog steeds dat Inez en ik zaten te wachten en dat Peter Van Dycke binnen kwam met de woorden: “Het is geworden……………….(drumroll)……… Tiny!!” In mijn hele leven was ik oprecht nog nooit zo blij en trots geweest want oooh myyy goooodddd. Mijn vriendin feliciteerde mij en mocht gelukkig ook meedoen met het toneel maar in een kleinere rol.

Overdrijf ik nu, als ik zeg dat dit een soort keerpunt was in mijn leven?

De repetities waren héérlijk! Tussen examens, toetsen, lessen en ook nog eens en passant, de honderddagen door, oefenden we dat het een lieve lust was. Het was met live muziek, speciaal geschreven voor dit stuk, door onze muziek leerkracht Paul Kindt.

We kwamen zelfs al in de krant! En het meisje met de vlecht die dwarsfluit speelt, is de Ann die je laatst misschien herkende bij Radio Gaga: https://www.facebook.com/een/videos/1526485637557327

Ik kwam héél goed overeen met mijn medespelers, en vooral met mijn toneel-lief Stach. Die geen Stach heet in het echt natuurlijk. Trouwens, ik was Kim.

Er waren drie (of vijf) opvoeringen, in de feestzaal van onze school, die telkens afgeladen vol zat.

Het decor was minimalistisch maar toch zeer werkbaar en modern, het was met rook en special effects en al, behoorlijk indrukwekkend voor die tijd. Ik heb me die maanden rot geamuseerd, we hadden ook een hechte bende, met al die toneelspelertjes samen. Ik leerde mensen kennen die niet in mijn klas of zelfs niet in mijn jààr zaten, maar met wie het héél leuk babbelen was, we gingen ook vaak samen nog iets drinken na de repetities en met enkelen ben ik na al die jaren nog steeds contact blijven hebben. Er speelde een jongen mijn vader in het stuk – en nog steeds begroet ik die man (die eigenlijk een paar jaar jonger is) met “Dag vader!” als ik hem tegen kom in Brugge.

Er is een video van gemaakt en enkele foto’s maar die zijn jammer genoeg van slechte kwaliteit.

Maar kijk, een achttienjarige Kim (Tiny) en een zestienjarige Stach die in het bos van Smook zitten te wachten op een vuurspuwende draak – die we dan even gingen verslaan natuurlijk.

Hierdoor ben ik gaan twijfelen of ik toch geen opleiding regie zou gaan volgen of een toneelopleiding, maar dat is het niet geworden. Het was (gelukkig) nog niet het einde van mijn toneelcarrière, slechts het begin…

Dit is de achtentwintigste dag in #40dagenbloggen

Tiny’s taalgevoel: Nederlands

Als ik met een serie wil beginnen over talen, dan lijkt het maar normaal dat ik begin met mijn moedertaal.

Maar daar valt al meteen heel wat over te zeggen. Er is wel het geschreven Nederlands, en dat is grotendeels voor iedereen hetzelfde, of je nu in Amsterdam, Twente, Opglabbeek, Schoten of Brugge woont. Laat ik daar dan maar mee beginnen.

Ik kon al vlot lezen voor ik naar de eerste klas ging. Nu lijkt dat al wat ingeburgerd want in de kleuterklas wordt er véél meer gewerkt aan voorbereidend lezen, dat was in mijn tijd wel even anders. Mijn moeder heeft mij leren lezen uit noodzaak. Hoe sneller zij op mij beroep kon doen om de cijfers op de bus, de bestemmingen voor de trein en de ondertitels op televisie voor te laten lezen, hoe gemakkelijker haar leven – en dat van mijn vader. Mijn moeder is al altijd zeer zwaar slechtziend geweest, kent héél vlot braille maar heeft ook wel gewoon schrift leren lezen en schrijven. Toen bleek dat ik die rare tekentjes goed kon onthouden en reproduceren, woordjes van letters maken, ging het snel. Ik las alles wat los en vast zat.

Aan het eind van de basisschool mochten we een namiddag ons ‘vrij’ bezig houden, sommigen hadden gezelschapsspelletjes bij, ik bracht een boek mee. Van Konsalik, ik vergeet het nooit. De juffrouw dacht dat ik het mee had om op te scheppen, maar ik zat al halverwege het verhaal en kon me er helemaal in verliezen.

Of het net dìt boek was, weet ik niet meer, maar iets in die zin.

Het zal dus wel duidelijk zijn dat Taal mijn lievelingsvak was en dat ik in het middelbaar Moderne Talen ging studeren. Leren over Oud-Nederlands, toneelstukken zien, poëzie lezen en leren begrijpen, ik was er gek op. Schrijven zonder fouten ging mij makkelijk af, nooit geen problemen gehad met d of t, ik ben een nerd wat schrijffouten betreft en vind een blog of iets dat gepubliceerd wordt op het www belangrijk genoeg om dat zonder fouten te doen. (Vergeef mij onoplettendheden en tikfouten.)

Voor de opmerkelijke lezer heb ik gisteren in mijn blog bewust een fout geschreven en ik vroeg me af wie van mijn lezers dat (1) ging opmerken en (2) mij ging zeggen waar de fout zat. Tot nu toe eentje, en het was niét de leraar Nederlands. Ik schreef: “…de mate waarin je word ondergedompeld” – terwijl het moet zijn wordt met een t, want géén inversie en je is stam + t.

Schrijffouten in handleidingen en zélfs in boeken komen jammer genoeg nog altijd voor. Gelukkig schrijft de man van mijn leven ook zonder fouten, had hij dit niet gekund dan was er toch een probleem, vrees ik.

Gesproken taal dan. Mijn pa komt uit Wuustwezel, de Antwerpse Kempen en al woont hij al meer dan vijftig jaar in Brugge, je hoort dat nog steeds. Mijn moeder is geboren in Westkerke, bij Oostende, en haar moeder kwam uit Menen. (Lees hier meer over mijn grootmoeder Anna.) Ik groeide op in Brugge, en sprak zowel met mijn ouders als met iedereen rondom mij, redelijk plat Brugs. Er was maar één juf, in het tweede schooljaar, die ons probeerde mooi te laten articuleren als we voorlazen, maar ik hoorde toen nog niet het verschil tussen een West-Vlaamse pét en het bekakte pet (eerder een ‘i’). Ik hoorde wel héél duidelijk verschil met mijn Kempense neefjes en nichtjes die het over een vies hadden in plaats van een vis.

Toen ik zestien was, ging ik solliciteren bij een lokale radio (lees meer hier). Ik wist van niks en ik dacht dat ik dat wel ging kunnen, presenteren. Ja hallo! Als je je eigen stem terug hoort op een opname, valt pas op hoe lelijk je spreekt. Dus hup, ik kreeg een aantal snellessen dictie. Ondertussen kan ik Nederlands spreken zonder al te dik accent, ik weet waar ik op moet letten. Ik neem wel graag (en vaak automatisch) dialecten of streektaal over. Zet mij tussen Gentenaren, Limburgers en die mensen uit de provincie Antwerpen en ik doe een beetje (veel) mee. In Holland spreek ik Hollands met de Hollanders. Mijn Nederlandse vriendin zegt dat je het helemaal niet hoort dat ik Vlaamse ben.

Toch ben ik een trotse West-Vlaming en erg fier op ons dialect. Noem het eerder een streektaal, want ik schreef al eerder over de verschillen tussen de Kortrijkzaan en de Bruggeling. Ik werkte ook tien jaar lang in Oostende en ben zeker dat er kust-klanken in mijn streektaal geslopen zijn. Er bestaan reeds vele liedjes in het West-Vlaams, het is moeilijk om er eentje uit te kiezen. Allez gow, deze dan: een vertaling van Wannes Cappelle van “Everybody hurts” van REM.

Ik geef je even de tekst mee, het is vooral om mensen die verzwelgen in eenzaamheid tijdens deze pandemie een hart onder de riem te steken.

Een dag een joar en een nacht

een nacht zoender mekoar

weet je nie wanneir of woar

da je latst lachte

we stoan kloar

we loaten olles vall’n

we kommen nor u toe

in alle geval

geliek oe

lik dam u zoe loaten schieten

lik dam u zoe laten goan

d’er is niets dam nie verstoan

sloaj de dagen deur mekoar

weet je ol lange niet meer wor

daj van droomde

we stoan kloar

we loaten olles vall’n

we kommen nor u toe

in alle geval

geliek oe

toe laat iets van u weten

mmm

m’en u veel te lang nie gehoard

ge peist toch nie daj gie ier ooit stoart

Lik een dag ee

weet je nie me wie of woar

daj nog lachte

we stoan kloar

we loaten olles vall’n

we kommen nor u toe

in alle geval

geliek oe

Tiny en Martine

Voor de gelegenheid heb ik deze HUMO uit begin 1985 in twee geknipt.

Er stond wekelijks een dagboek in van Martine Tanghe, een nieuwslezeres die mij wel was opgevallen terwijl ik eens héél toevallig als zestienjarige bij mijn ouders in de zetel zat, terwijl het Journaal opstond op televisie. Toen nog op BRT1, er was nog geen afstandsbediening, dus je moest rechtstaan en aan een knop draaien om de zender te verzetten.

Het nieuws interesseerde mij die tijd maar matig, maar die reis die Martine en haar man Jos gingen maken (zeilen, voor een jaar, vanuit Noorwegen naar Madeira, via de Canarische eilanden naar de Kaapverdische eilanden,… leek me enorm spannend en ik denk dat ik vanaf dan een abonnement op de HUMO heb genomen, puur alleen voor deze verslagen.

Martine Tanghe 27/09/84
Beeld Pascal Nackaerts

Toen ze eenmaal terug was, keek ik wel wat vaker naar het nieuws. Ik volgde Moderne Talen, was vooral heel erg geïnteresseerd in de richting Germaanse Filologie (wat Martine Tanghe destijds ook had gevolgd) en zag wel graten in de journalistiek. Ik werkte toen ook voor een lokale radio en las zelf ook vaak het nieuws voor. Mijn grote voorbeeld op vlak van dictie en intonatie was ook diezelfde Martine Tanghe. Ik heb nooit officieel dictie gevolgd, tenzij enkele sporadische lessen, maar ik was voor mezelf én voor anderen zéér streng over de uitspraak. Ik wou totààl niet versleten worden voor de zoveelste West-Vlaamse die een g niet van een h kon onderscheiden. En ik heb – wellicht tot grote frustratie van velen – daar ook collega’s op gewezen.

Zij was voor mij wel het boegbeeld van de VRT, hét nieuwsanker bij uitstek, al zal ze wel geen katje om zonder handschoenen aan te pakken zijn (geweest). Maar ze is iemand bij wie het juist moet zijn. Veel mensen denken, och, da’s maar voorlezen wat er op de autocue voorbij komt. Maar weinigen beseffen dat zij eerst en vooral journaliste is: ze maakt zelf de teksten, zoekt informatie en duiding, zorgt dat alles wat ze voorleest duidelijk en juist is. “Mijn norm is mémé, mijn grootmoeder moet het kunnen begrijpen“, zei ze in 1984 in HUMO.

In 2011 kreeg ze borstkanker. Een hele tijd was ze niet op het scherm te zien, maar na de behandeling keerde ze terug. Martine is er eentje die zich niet laat doen, ook niet door dat K-monster.

Eind deze week gaat ze met pensioen. Verplicht, want dat is zo bij de openbare omroep. Op je vijfenzestigste ben je klaar. Salut en daar is de deur.

Ik hoop dat ze een waardig en mooi afscheid krijgt en ik gok nu al dat ik een traantje zal wegpinken als ik haar de laatste keer het nieuws zal zien presenteren.