huisdieren

Tiny en Liesbeth, over Anti-Broodfok en geplaatste jongeren

In navolging van twee andere sterke vrouwen, Anick-Marie en Virginie, sprak ik ook met Liesbeth uit Lommel. Ik ken haar al een jaar of acht, we werkten samen voor Awel. Maar daar gaat het nu even niet over. Liesbeth is méér dan een dierenvriend en méér dan een opvoedster. Even schetsen.

DSC_0224

Toen Liesbeth nog klein was…

leefde ze samen met haar mama want haar ouders waren gescheiden. Toch zegt ze, de verstandhouding tussen beide ouders was altijd prima in orde als het haar opvoeding betrof. Ze zijn allebei ook heel sociaal en net als Liesbeth zijn ze ook echte gevers.

Vroeger had ze geen huisdieren, want dat mocht niet op het appartement. Pas later, toen ze ging samenwonen, kwam er een hondje in huis.

Liesbeth studeerde sociale readaptatiewetenschappen in Leuven, een algemeen sociale opleiding want ze wou overal wel van proeven. Toch was ze al van jongsaf aan geïntrigeerd door de gebouwen van de gemeenschapsinstelling in Mol, met die tralies en zo. Ze vroeg zich af wie daar ‘woonde’, of dat een gevangenis was. ‘Nee’, zei haar moeder, ‘daar zitten de stoute jongens!’. Ze kon zich daar niets bij voorstellen. (De tralies waren er nog bij de oude gebouwen, nu worden die gebouwen gebruikt door de Kunstacademie.) 

In het eerste jaar van haar opleiding kon ze daar al stage gaan doen, dit was precies wat ze wou. Al was het de eerste tijd vreselijk moeilijk, toch heeft ze daar drie jaar lang stage gedaan en meteen na het afstuderen kon ze daar ook aan het werk als opvoedster. Ondertussen werkt ze er al zestien jaar.

Liesbeth als opvoedster: 

Het eerste jaar van haar stage was ze zelf amper achttien jaar, de jongens (toen enkel jongens) waren zestien, zeventien en dat was enorm moeilijk, maar ze leerde bij als een sneltrein. Dat was best wel pittig. Liesbeth werkte toen bij ‘De Hutten’, een gesloten afdeling voor jongens die zware strafbare feiten hadden gepleegd. Als een volwassene dit had gedaan, dan krijgt die zeker 5 tot 10 jaar gevangenisstraf. Een zestienjarige wordt soms wel berecht als volwassene, maar komt dan niet in de reguliere gevangenis terecht. Dit heeft ze gedaan tot in 2008 en daarna wou ze even iets anders. Er konden vanaf toen ook meisjes terecht in de instelling en dit was iets wat ze wel wou proberen.

Werken met meisjes, daar krijgt ze veel meer voldoening van, maar het is honderd keer moeilijker. Terwijl jongens recht voor de raap zijn, maar bij meisjes blijft dat hangen. Conflictsituaties blijven ‘leven’, er zijn meer kliekjes… en zij zijn ook veel destructiever naar zichzelf toe. Dat doet wel iets met je, vertelt Liesbeth. Toch is ze ondertussen verantwoordelijke van haar leefgroep, de time-out, waar meisjes voor 14 dagen worden geplaatst om even uit hun oorspronkelijke instelling te zijn, om conflictsituaties te bespreken, daarna gaan ze weer terug. Het is heel afwisselend werk, omdat het telkens ook andere meisjes zijn. Al komen die soms nog wel eens terug…

Een sterke opvoedster

Zelf ben ik niet in de wieg gelegd om bij jongeren met problemen te werken. Daar heb ik geen geduld voor. Stuur mij met tien mentaal beperkten een week naar Lourdes, en ik leef op. Maar wat Liesbeth doet…

Ze heeft veel geduld met haar meisjes. Terwijl ze thuis niet echt een geduldig persoon is. Ze ziet in elke meid het goede. Zelfs al hebben ze van alles uitgespookt wat totaal niet door de beugel kan, ze is er van overtuigd dat elkeen een nieuwe kans verdient. Misschien is het dat. Zelf heeft ze geen kinderen en zo kan zij thuis wel volledig tot rust komen. Ze ziet zichzelf ook niks anders doen dan dit werk.

Haar slagzin: Je bent in elke omstandigheid vrij om te kiezen, maar je bent niet vrij van de gevolgen van jouw keuze.

DSC_0220-2

Liesbeth en de dieren

Ooit is ze begonnen op een dierenforum op het Internet. Ze las daar heel vaak over broodfokkers. Wat is dat nu precies, vroeg ze zich af? Een broodfokker is een hondenkweker die dieren kweekt ‘om den brode’, dus alleen maar voor het geld, waarbij geen rekening wordt gehouden met het welzijn van de dieren.

Ze leerde op dat forum iemand kennen, die zo’n ‘kweekteef’ in huis had genomen, een grote Sint-Bernard. Dat reuzegroot beest kon zelfs niet meer blaffen omdat de stembanden waren geëlektrocuteerd. Wablief? Ja want dan was er geen geluidsoverlast meer. Kun je je dat voorstellen?

Liesbeth ging ook eens samen wandelen met een groep, waar ze nog meer horrorverhalen hoorde: een hondje dat tien jaar lang in een broodfokkerij had gezeten, kende niks: geen buitenlucht, geen gras, geen regen, geen kiezelsteentjes, geen tapijt,… want het dier kende enkel maar ‘het hok’. Eerst werd Liesbeth steunend lid van de Anti-Broodfok Actie, maar gaandeweg wou ze méér doen. Een aantal jaar geleden werd in Oostkamp een broodfokkerij leeggehaald, die man was failliet gegaan. Daar zaten een stuk of honderdvijftig (150!!) teven en die honden gingen naar verschillende asielen. Eén hondje, Border Collie Tess, heeft Liesbeth geadopteerd. Zij was er het ergst aan toe: ze woog nog 12 kilo, had geen haar meer, schurft, schimmel, etterende wonden,… Ook zij had nog nooit op het gras gelopen, wist niet wat dat was.

Voorzitter van de Anti Broodfok actie

Sinds het opdoeken van de fokkerij in 2011 is Liesbeth in het bestuur gegaan van de vzw en sinds 2015 is ze voorzitter. Ze organiseren optochten, staan op evenementen met infostands, verkopen merchandise, geven info aan mensen die zich hebben laten vangen, of mensen die twijfelen bij hun aankoop van een pup. Ook op wetgevingsvlak probeert de vzw iets te veranderen, zowel bij het Ministerie van Landbouw (want ook honden zijn blijkbaar landbouwdieren) als bij het Ministerie van Dierenwelzijn.

Een fokker uit het Limburgse heeft onlangs een aanvraag gedaan voor een uitbreiding tot 150 honden. (Let op, eerst vroeg hij dit voor 480 honden.) Vooral teven dan, om mee te kweken. Let wel, die dieren zijn twee keer per jaar loops en krijgen dan steeds opnieuw een nestje pups. Al die pups zijn (volgens de wet) zolang ze geen zes maanden oud zijn, onbestaand. Begrijp je? Die. Zijn. Er. Niet. Kun je je enigszins voorstellen hoe zo’n fokbedrijf (want dit is echt een bedrijf!) er uit ziet, met honderd mama-hondjes en al de pups? Liesbeth heeft me foto’s getoond, vreselijk. Deze teefjes hebben zo goed als geen menselijk contact, zitten alleen maar in een hok, en worden behandeld als broedmachines. Als puppies hun hele jonge leven in een hokje zitten, worden ze niet gesocialiseerd, kennen ze geen stofzuiger of geluid van tv of een auto die passeert. Met als gevolg dat deze honden ‘angstbijters’ kunnen worden. Puppies zien er misschien schattig uit, maar denk eens verder na… Check hun website met tips om een goeie kweker te herkennen, als je dan toch per se een pup wil. Een iets oudere hond uit het asiel kan net zo lief zijn.

Liesbeth heeft nu drie honden, Tess (ex-kweekteef), James, een schattige mini Amerikaanse herder en Flor, een grappig mixje. En nog enkele lieve poezen!

Wil je ook iets betekenen voor de Anti-Broodfok? Je kan steunend lid worden, voor 15€ per jaar, klik dan hier. Of je kan een leuk gadget kopen om hen te steunen, klik hier. Alvast bedankt!

Advertenties

Tiny en de huisdieren

Vorige week was het weer werelddierendag. Maar omdat ik niet mee doe aan die hype en alle dagen wel vriendjes met dieren wil zijn, gaat het NU over dieren en niet vorige week.

Iemand vroeg mij, schrijf eens over je hondje van vroeger op je blog.

En dan denk ik meteen aan Robbie.

Robbie was een chocoladebruine poedel. Waar hij vandaan kwam, geen flauw idee, ik was negen jaar. Al jaren had ik gesmeekt om een hondje, ik was enig kind en een beetje eenzaam en dat hondje zou alles oplossen. Dacht ik. Ik was stekezot van Robbie. Het was een lief en braaf beest, jong en speels. We speelden vooral samen in de tuin, ik heb er zelfs nog Super8mm-filmpjes van. En een foto.

FullSizeRender-2

Toen mijn moeder een paar jaar later begon als dagmoeder, moest Robbie echter weg. Een hondje en twee babietjes, blijkbaar mocht dat niet, om één of andere duistere reden. Ik vond het zeer oneerlijk. Op mijn eigen manier heb ik afscheid genomen van het dier en op het moment dat ze hem kwamen halen (hij ging naar een andere lieve familie, zeiden mijn ouders), wou ik er niet bij zijn. Ik verstopte me in de woonkamer onder een kussen en huilde stille tranen.

Nog een paar jaar later, de kindjes waarvoor we zorgden, waren al wat groter, mocht er wel een poesje komen. Dat werd Mientje. Ze was een paar jaar bij ons, maar verder herinner ik me er niet zo veel van.

Toen mijn grootvader stierf, durfde mijn moeder niet meer alleen over straat. Mijn vader werkte nog, ik zat op school en tot die tijd deed ze de boodschappen vaak samen met mijn grootvader. We zochten een oplossing en die kwam er onder de vorm van: een hond! Ja, super vond ik dat.

De eerste blinde geleidehond heette Vagabond (op zijn Frans) en kwam uit Ghlin. Zijn bevelen had hij in ’t Frans geleerd, dat was wel grappig. Een lief beest, maar we hebben hem niet lang kunnen houden, hij werd ziek.

FullSizeRender-3

Vagabond was te lang, en we noemden hem “Bondje” 🙂

De tweede was een blonde Labrador en kwam uit Limburg. Hij heette Kim en hij was iedereens lieveling. Hij was een supergoede begeleider voor allebei mijn ouders. Ondertussen ging ik studeren, op kot, alleen wonen, trouwen, kreeg een kind en toen mijn zoon kon kruipen, deed hij niks liever dan samen met Kim in de grote mand zitten. Kim vond dat allemaal prima en mijn zoon had een levensgrote knuffelhond. We zijn er wel altijd bijgebleven, want een dier blijft een dier en je weet nooit hoe het ineens zou reageren op een kind. Maar er is nooit iets gebeurd, Kim was de liefste hond ooit. Tot ook hij ziek werd, en niet meer te redden viel. Tranen met tuiten bij iedereen.

FullSizeRender

Later zijn er nog enkele pogingen gedaan voor een nieuwe geleidehond, maar het was nooit meer zoals Kim. En ik woonde toen al niet meer thuis.

Bij mij kwamen de katten. Eerst had ik geen huisdieren, ik wou wel een hond, maar vond dat zielig omdat we de hele dag gaan werken waren. Op een avond gingen we repeteren en vonden we onze jonge drummer in tranen. Hij had een klein poesje gevonden, (of gekregen, weet ik niet meer) maar hij mocht het niet houden van zijn ouders. Ik was er meteen weg van en heb het zelf meegenomen naar huis. We noemden haar Syria, naar onze groep, die Syrius heette.

Toen ik vele jaren later ging scheiden, moest ik jammer genoeg ook van Syria scheiden. Als ik één iets miste van het huis dat ik achterliet, was het wel de poes.

Er volgden nog poezen: Nero, Sylvester, Oliver, Sammy en Timmy. Elk met hun eigen verhaal.

Toen ik twee jaar geleden naar Wevelgem verhuisde, was er spijtig genoeg geen huisdier welkom. Allergie en aversie tegen katten. Niet tegen honden, maar ook hier weer: als we hele dagen gaan werken, en vaak op reis gaan: dat doe je een hond niet aan, vind ik. ’t Is jammer maar helaas.

Als ik bij iemand moet gaan cat- of dogsitten, laat maar weten. Met alle plezier!