gezin

Tiny op moederdag

Tja.

Het ligt moeilijk, op vele vlakken. Ik heb blijkbaar nog nooit iets geblogd over moederdag en dat heeft zo zijn redenen. Schrijf ik over mezelf als moeder of over mijn eigen moeder en schend ik dan niet te veel haar privacy?

Een jaar of vijf geleden las ze nog ijverig mijn blog, op de computer met spraaksoftware en braille, ik was zo trots dat ze dat kon. Nu gaat de pc al lang niet meer aan, want alles met knopjes is veel te moeilijk. Enige jaren terug was er al een diagnose die er bijna geen was, lees hier. Ze is er nog, en daar ben ik dankbaar voor, maar eigenlijk is ze er niet meer. De vrouw die ik kende als mijn moeder valt in stukjes en beetjes uiteen. Dankzij mijn vader en hun twee-eenheid doet ze dapper verder alsof er helemaal niks aan de hand is. Ik heb geen zin om er over uit te weiden en verwijs liever naar een tijd, nu al twintig jaar geleden, toen ze een troste oma was van een zesjarig jongetje. Let wel, ze is nog altijd trots op hem, dat blijkt uit heel veel.

Zelf ben ik ook al meer dan vijfentwintig jaar moeder van dat jongetje hierboven. En ik kijk graag eens terug naar foto’s uit de tijd dat hij nog super schattig was en ik nog in zijn bovenste schuif lag. Maar leven met een tiener/twintiger met autisme kende (en kent) vele steile hellingen en diepe ravijnen waar we af en toe eens serieus zijn ingedonderd.

De twee a’s. Autisme Spectrum Stoornis en Alzheimer. Je verwacht je daar niet aan als jonge moeder.

Ik ga mijn moeder bellen en haar een Gelukkige Moederdag wensen en heel misschien krijg ik van mijn zoon een berichtje in de zin van “Vrolijk Pasen” of “Fijne Kerstbal” en dat is dan zijn manier om te zeggen dat hij er aan gedacht heeft. Maar ik ga er ook niet meer triest om zijn als hij dat nu toch zou vergeten, daar ben ik al overheen.

Tiny’s moemoe (4/40dagenbloggen)

Moemoe links en pépé rechts, niet haar man, maar mijn dooppeter, opa van moeders kant.

Moest mijn oma, moemoe zeggen ze in Wuustwezel, nog leven, dan was ze vandaag 113 jaar geworden.

Ze overleefde haar man Jules en mijn twee andere grootouders en werd er 92, als ik mij nog kan herinneren en goed kan tellen.

De foto die je ziet is een van de weinige die ik van haar heb, samen met mijn grootvader van moeders kant. Zij bleven wonen in Wuustwezel (in Achterbroek, zo heet de parochie) en mijn vader is al sinds 1965 verhuisd naar Brugge. Dus enkel voor heel speciale gelegenheden kwamen mijn grootouders mee met een tante of nonkel naar het verre Brugge. Voor hen een enorme uitstap, en ik denk zelfs dat mijn grootmoeder misschien nooit de zee heeft gezien.

In Achterbroek hadden ze al sinds jaar en dag een boerderij, koeien in de stal of op het land, een korenmolen achter op het erf, waarvan de broer van mijn moemoe de molenaar was. Op die molen was ze best trots, ze vertelde er altijd met veel fierheid over. Deze werd al gebouwd in 1847, is twee keer in vlammen opgegaan, herbouwd en uiteindelijk in 1948 ontmanteld (de wieken er af). In de oorlog gingen ze er wel schuilen, dat weet zelfs mijn oudste tante nog.

Moemoe kreeg 9 kinderen, of misschien wel meer, want in die tijd was er nog geen sprake van kraamklinieken of prematuurafdelingen. Na eerste zoon Jozef, tweede kind Maria, kwam mijn vader: Constant.

We gingen misschien één keer om de twee maanden bij hen op bezoek, eerst nog op de boerderij in Achterbroek, en dan moesten we natuurlijk telkens gehaald worden door een familielid, want met de trein was het onbegonnen werk. Toen al.

Later woonde ze in een soort kangoeroewoning bij mijn tante en had ze toch haar eigen keuken, woonkamer en slaapkamer, ze genoot nog van de grote moestuin en overlaadde ons bij elk bezoek met groenten uit de diepvries, zelf geteeld en schoongemaakt. De groentesoep met balletjes van moemoe was de beste. Nooit meer zo’n lekkere soep gegeten. En de rijstpap, mmm.

Ik herinner me nog de maaltijden: soep in een bord, en dan moest je je bord volledig tot op de laatste druppel leeg eten, want in datzelfde bord kwam het vlees, de groenten en de aardappelen. Als het zondag was, kreeg je wel een vers bordje voor de pap. Heel speciaal vond ik dat. Ze waren katholiek, er werd altijd gebeden voor het eten, een weesgegroetje denk ik. In de lagere school kon ik dat flink volledig meezeggen, welke achtjarige kan dat nu nog? Ze had ook altijd een rozenkrans in de buurt, als ze zat te rusten, dan was ze daar mee bezig. Wie kent dat nog!

Daarna kwam er nog koffie met een klein koekje erbij, dat had ze dan wel laten meebrengen uit de winkel. Ik heb moemoe nooit boodschappen weten doen… En ’s avonds boterhammen met zelfgemaakt vleesbrood, en warme krieken. Volgens mij deden ze dat niet in Brugge…

Moemoe was een hartelijke vrouw, altijd met een grote glimlach, lief, verzorgend,… Ze luisterde altijd meer dan dat ze sprak, maar luisterde actief, gaf altijd feedback: “Is da echt? Och gij! Ja, jong… Zo ineens? Och gij!” Ik hoor nog haar stem.

Omdat ze van mijn vier grootouders het langste heeft geleefd, herinner ik mij haar natuurlijk het beste. En toch zijn veel herinneringen vervaagd, ze is al meer dan twintig jaar dood natuurlijk.

Anna Lambregts heette ze, en ze was jarig op 5 maart.

Tiny’s zelfbeeld

Eerlijkheid is de rode draad in mijn blog. En ja, ik mag hier al eens reclame maken voor mezelf en vertellen wat ik graag doe en waar ik goed in ben, maar ik wil ook de andere kant laten zien.

Wat Tiny niet kan, was een veel gelezen bericht, hoewel het vooral ook grappig was.

Maar soms heb ik weer last van dat imposter syndrome: denken dat je “maar iets doet” maar er eigenlijk niet te veel van bakt. Tegelijkertijd probeer ik in te zien dat ik niet in alles perfect moet zijn. Ik ben verre van perfectionistisch, in tegenstelling tot veel mensen. Soms doe ik iets ‘provisoir’, wat zoveel wil zeggen als ‘vluchtig’, een beetje goed. Omdat ik te lui ben, te moe, omdat ik denk dat het goed genoeg is, dat het geen examen is en niet op punten staat.

Voorbeeldjes?

  • Tijdens de yogales zie ik mijn reflectie soms in de ramen: dan vind ik mezelf een olifant in vergelijking met de lerares (en ja, ik weet het: je mag niet vergelijken), dan zie ik hoe de oefeningen verre van perfect zijn, dat ik met mijn hielen de grond niet raak, dat mijn benen nooit gestrekt zijn, dat ik geen evenwicht kan bewaren,… Dit terwijl ik héél goed weet dat het bij yoga daar totààl niet om gaat. Integendeel.
  • Ik kook elke dag vers en soms moet het toch snel gaan, omdat de man naar een vergadering moet, de zoon naar baskettraining, en ik zelf ook nog les heb. Dan denk ik vaak: wat ben ik toch aan het prutsen. Dat denk ik dan nog luider als niemand zegt dat het lekker is. Of als de zoon vraagt waar de saus is (een mens wil dan eens gezond doen!). Het is precies nooit goed genoeg.
  • Als ik een levering moet doen voor het werk en ik op voorhand al bedenk dat ik het wellicht niet zal kunnen omdat het een moeilijke situatie is: ik ben ‘maar’ een opvoedster en geen IT-specialist, ik kan wel ‘iets’ van de toestellen, maar heb geen verstand van elektronica, ik kan wel eens een kastje verplaatsen of een deurtje losschroeven, maar ik ben geen schrijnwerker. Ik ga door de mand vallen. Ze gaan mij niet professioneel vinden.
  • Ik wil betere marketing voor mijn bijberoep: maar daar kan ik niks van. De reclame die ik maak op Facebook of Instagram trekt eigenlijk op niks. Ik weet niet hoe dat beter moet. Ik weet niet eens welke cursus ik zou moeten volgen. Ze gaan mijn handje moeten vasthouden en stap voor stap zeggen hoe ik iets moet doen. Hoe dwaas ben ik eigenlijk?
  • Ik ben een flutmoeder en een flutdochter. Wie gaat er nu ook vijftig kilometer verder wonen van haar probleemzoon en haar ouders met een beperking. Wat een egoïste. ’t Is ook volledig mijn schuld dat hij zoveel problemen heeft.
  • Ik zal nooit financieel op mijn gemak zijn. Dat komt er van als je 2x van iemand scheidt en 2x een huis verliest en je laat pluimen. Had ik op mijn tanden gebeten, dan was ik nu wellicht niet alleen huisbezitter maar ook camper-bezitter of buitenverblijf-bezitter. Doodongelukkig wellicht, maar ik zou wel financieel op mijn gemak zijn en mijn zoon ook.
  • Jaloersheid is mij ook niet vreemd. Jaloers op gezinnen à la “papa, mama en de kindjes die elkaar allemaal graag zien”. Zeer confronterend. Ik heb dat nooit gehad en ik zal het ook niet meer hebben. Eigen schuld natuurlijk.
  • Het “wat heb ik misdaan”-idee: iemand reageert niet meer op een bericht en terwijl ik vroeger dacht dat ze in de gracht waren beland, of in het ziekenhuis of erger, denk ik nu gewoon dat ik wellicht iets verkeerds heb gezegd. Of iets doms heb gedaan.

Tot zover mijn negatief zelfbeeld. Om het allemaal weer goed te praten kan ik zeggen: je hebt geluk, Tiny, want je bent gezond en je hebt een mooie relatie. Je hebt nog allebei je ouders. Je kan af en toe een reisje maken zelfs al is het met een beperkt budget. Je bent slim genoeg. Stop met zagen.

Dus ik ga weer verder prutsen en dutsen.