gezin

Tiny’s zelfbeeld

Eerlijkheid is de rode draad in mijn blog. En ja, ik mag hier al eens reclame maken voor mezelf en vertellen wat ik graag doe en waar ik goed in ben, maar ik wil ook de andere kant laten zien.

Wat Tiny niet kan, was een veel gelezen bericht, hoewel het vooral ook grappig was.

Maar soms heb ik weer last van dat imposter syndrome: denken dat je “maar iets doet” maar er eigenlijk niet te veel van bakt. Tegelijkertijd probeer ik in te zien dat ik niet in alles perfect moet zijn. Ik ben verre van perfectionistisch, in tegenstelling tot veel mensen. Soms doe ik iets ‘provisoir’, wat zoveel wil zeggen als ‘vluchtig’, een beetje goed. Omdat ik te lui ben, te moe, omdat ik denk dat het goed genoeg is, dat het geen examen is en niet op punten staat.

Voorbeeldjes?

  • Tijdens de yogales zie ik mijn reflectie soms in de ramen: dan vind ik mezelf een olifant in vergelijking met de lerares (en ja, ik weet het: je mag niet vergelijken), dan zie ik hoe de oefeningen verre van perfect zijn, dat ik met mijn hielen de grond niet raak, dat mijn benen nooit gestrekt zijn, dat ik geen evenwicht kan bewaren,… Dit terwijl ik héél goed weet dat het bij yoga daar totààl niet om gaat. Integendeel.
  • Ik kook elke dag vers en soms moet het toch snel gaan, omdat de man naar een vergadering moet, de zoon naar baskettraining, en ik zelf ook nog les heb. Dan denk ik vaak: wat ben ik toch aan het prutsen. Dat denk ik dan nog luider als niemand zegt dat het lekker is. Of als de zoon vraagt waar de saus is (een mens wil dan eens gezond doen!). Het is precies nooit goed genoeg.
  • Als ik een levering moet doen voor het werk en ik op voorhand al bedenk dat ik het wellicht niet zal kunnen omdat het een moeilijke situatie is: ik ben ‘maar’ een opvoedster en geen IT-specialist, ik kan wel ‘iets’ van de toestellen, maar heb geen verstand van elektronica, ik kan wel eens een kastje verplaatsen of een deurtje losschroeven, maar ik ben geen schrijnwerker. Ik ga door de mand vallen. Ze gaan mij niet professioneel vinden.
  • Ik wil betere marketing voor mijn bijberoep: maar daar kan ik niks van. De reclame die ik maak op Facebook of Instagram trekt eigenlijk op niks. Ik weet niet hoe dat beter moet. Ik weet niet eens welke cursus ik zou moeten volgen. Ze gaan mijn handje moeten vasthouden en stap voor stap zeggen hoe ik iets moet doen. Hoe dwaas ben ik eigenlijk?
  • Ik ben een flutmoeder en een flutdochter. Wie gaat er nu ook vijftig kilometer verder wonen van haar probleemzoon en haar ouders met een beperking. Wat een egoïste. ’t Is ook volledig mijn schuld dat hij zoveel problemen heeft.
  • Ik zal nooit financieel op mijn gemak zijn. Dat komt er van als je 2x van iemand scheidt en 2x een huis verliest en je laat pluimen. Had ik op mijn tanden gebeten, dan was ik nu wellicht niet alleen huisbezitter maar ook camper-bezitter of buitenverblijf-bezitter. Doodongelukkig wellicht, maar ik zou wel financieel op mijn gemak zijn en mijn zoon ook.
  • Jaloersheid is mij ook niet vreemd. Jaloers op gezinnen à la “papa, mama en de kindjes die elkaar allemaal graag zien”. Zeer confronterend. Ik heb dat nooit gehad en ik zal het ook niet meer hebben. Eigen schuld natuurlijk.
  • Het “wat heb ik misdaan”-idee: iemand reageert niet meer op een bericht en terwijl ik vroeger dacht dat ze in de gracht waren beland, of in het ziekenhuis of erger, denk ik nu gewoon dat ik wellicht iets verkeerds heb gezegd. Of iets doms heb gedaan.

Tot zover mijn negatief zelfbeeld. Om het allemaal weer goed te praten kan ik zeggen: je hebt geluk, Tiny, want je bent gezond en je hebt een mooie relatie. Je hebt nog allebei je ouders. Je kan af en toe een reisje maken zelfs al is het met een beperkt budget. Je bent slim genoeg. Stop met zagen.

Dus ik ga weer verder prutsen en dutsen.

Tiny ruimt op

Eind deze maand komt er een nieuwe keuken. Nothing fancy, geen grote veranderingen, gewoon nieuwe kasten, nieuw fornuis en oven en alles veel praktischer ingericht. Maar daarvoor moet de oude keuken wel nog weg.

Wél, zei mijn lief, die gaan we gewoon zélf uitbreken. Hoe moeilijk kan het zijn nadat we vorig jaar in drie dagen de volledige vloer hadden uitgebroken. En je kan dat spreiden hé, je hoeft niet alles in één keer af te breken.

Afgelopen woensdag was ik thuis, had speciaal niks gepland omdat ik de avond er voor mijn vaccin kreeg – en je weet maar nooit of je bijwerkingen hebt. ’s Morgens voelde ik me kiplekker, alleen een stijve bovenarm, niks ergs en zo vroeg mijn schat of ik misschien een beetje de kasten wou opruimen.

Ik heb dat misschien iets te letterlijk genomen:

Potjes en kommetjes… ik kon bijna een winkeltje beginnen, dus heb ik zowat de helft naar de kringloopwinkel gebracht. Evenals een hoop koffietassen die we toch niet mooi vonden, maar die we ooit “erfden” of gratis kregen. Waarom spaart een mens die troep?

Hoeveel kopjes heeft een gezin nodig? We zijn maar met twee en af en toe met vier. Er komt nooit iemand langs, tenzij eens een verdwaalde schoonvader. En néé, dat ligt niet aan Corona, dat was vroeger ook al zo.

Ik heb ook een aantal glazen weggeschonken, maar méér wegdoen mocht niet, zei dat lief al eerder (ja, dezelfde als degene die zei dat ik mocht opruimen). Want: wat àls er eens bezoek komt? Dan moet je toch een pintje in een deftig glas kunnen schenken? En wijn in een mooi wijnglas?

Maar moet je er daarvoor van elk formaat vier of méér hebben? Minimalisme is nog niet direct aan hem besteed, ik wil hem ZO graag op cursus sturen bij Minimaliese.

Alles staat nu in een kast in de woonkamer, dat is vier stappen verder dan de keuken, dus dat kunnen we nog wel aan. De borden staan nu onderaan, want het zijn de bovenste kasten die er eerst aan moeten geloven.

Dus bij deze: kom alsjeblieft eens langs, dat mag zelfs op goed geluk en vraag dan een drankje in een (mooi?) glas. Het zou echter kunnen zijn dat je slechts de keuze hebt tussen water, melk of wijn, of een speciaal biertje als je geluk hebt (ik denk dat hij halverwege een bak Sint-Bernardus is die hij kreeg met Kerst – en er staan nog enkele 75cl flessen die hij cadeau kreeg en die hij anders héiéélemaal alleen moet uitdrinken, de duts) – want we hebben maar weinig drankjes in huis.

Koffie of thee krijg je in een mok, daar hebben we er nog altijd genoeg van.

Als je chips wil, zal het uit een bord of uit de zak zijn, want de “serveerpotjes” heb ik ergens weggestopt en ik weet nu al niet meer waar.

Volgens mij gaan er nu mensen reageren: “Oh maar dat valt toch reuze mee? Zoveel glazen heb je toch niet? Wij hebben bijna het dubbele!”

Geef mij dan alsjeblieft eens antwoord op mijn prangende vraag: hoeveel gebruik je er daar nu écht van? Nee serieus, ik wil het snappen. Ik wil niemand beledigen, het is jullie goed recht, maar ik ben wel erg nieuwsgierig.

Tiny is (niet) oud

Hallo hier ben ik weer, dag vriendjes allemaal! – Sorry, zat even met een oud liedje in mijn hoofd:

Luk Bral, 1974

Ze zitten al in de tiende week, de bloggers en Instagrammers die meedoen met Saturnein’s photochallenge. Na mijn veertig dagen bloggen challenge dacht ik al, wie weet kan ik inpikken met deze.

Deze week gaat het over “oud” en daar kun je van alles bij verzinnen, maar ik moest een foto hebben. Vorig weekend was ik bij mijn ouders en ik keek even naar wat er in de kast staat. De combinatie vind ik wel grappig.

Links een porseleinen beeldje, zoals je er veel zag bij “oude mensen” vroeger en misschien ook nog vandaag. Voor mijn ouders hebben zo’n beeldjes wel een grotere betekenis: je kan er aan voelen. Ze zijn zeer gedetailleerd. Een foto of een schilderij in huis was voor mijn ouders nooit echt een meerwaarde – moest je het nog niet weten: ze zijn blind hé.

Maar regelmatig werd er eens een nieuw beeldje aangekocht. Dit dateert van de vroege jaren zeventig, vorige eeuw. Iemand moet gedacht hebben: oh dit is schattig, een mama, een papa en een dochter die alle drie musiceren, hoe toepasselijk. De mama speelt piano, en dat is ook exact wat mijn moeder deed, ze wou ook pianolerares worden, maar toen kwam er een non en die pikte die plaats in.

Ik heb altijd graag gezongen, zong in koren en in bandjes, dus dat klopte ook wel. Mijn vader heeft in een vorig leven nog bugel gespeeld, een soort trompet, dus ergens klopt dit ook wel een beetje. Het beeldje heeft jaren op de tafel gestaan thuis en er werd vaak aan gevoeld, ook door andere blinde vrienden die op bezoek kwamen.

De foto er naast is, je kan het al raden: mini-Tiny. Wellicht was ik een jaar of twee, misschien drie. Kort blond haar en bruine ogen en een mollig lijfje: ja, ik ben nog helemaal niks veranderd! 🙂