Frans

Tiny in Lourdes

Een hele tijd al had ik het in mijn hoofd gestoken: ik wou naar Lourdes. Iedereen en zijn moeder is er al geweest, maar ik niet. Tiny, die soms de kwezel uithangt en geniet van bezoekjes aan nonnen en paters, die katholiek is opgevoed maar eigenlijk nergens in gelooft – buiten in de liefde – die was nog nooit op bedevaart geweest.

Lourdes ligt in hartje Pyreneeën en aan de rivier Gave de Pau. Wij gingen er kamperen op Camping de la Forêt en van daaruit kun je gewoon te voet naar de “Sanctuaires”, het domein met de grot waar Bernadette voor het eerst de verschijning van Maria zag, de Basilique du Rosaire, de bron met het water met zogezegd genezende krachten en zo meer.

De eerste avond waren we er ook tijdens de dagelijkse processie: een optocht met kaarsjes, priesters, rolstoelpatiënten en het beeld van Maria voorop. Door de luidsprekers schalt zevenenveertig keer of zoiets het “Weesgegroet Maria”-gebed in zeven of meer talen, gevolgd door het welbekende “Te Lourdes op de bergen”-liedje. Bij het refrein “Ave Maria” steekt iedereen zijn kaarsje in de lucht. Raar misschien, maar ik was ontroerd. Mijn grootvader zaliger zong dat lied altijd voor mij, hij kende wel zeven strofen.

De volgende dag gingen we nog eens terug om alles ook eens in de blakende zon te zien. Ik brandde een kaarsje voor al mijn trouwe volgers hier 😉 Helemaal zelf betaald maar helaas, de kaarsen van 500€ waren uitverkocht.

Er is nog wel meer te doen in de omgeving van Lourdes: Lourdes-plage, ofwel het Lac de Lourdes is ook vlakbij en een uitstap waard, zeker als het 32° is. We maakten eerst een wandeling rond het meer en gingen er daarna in zwemmen om lekker af te koelen.

Camping life: you love it or you hate it. We hadden een goeie, ruime plek en onze tent is klein, maar toch praktisch. Toch is slapen op een (weliswaar dikke) luchtmatras toch altijd een beetje zoeken en als je in je tent geen plaats hebt voor je koffer of reistas, dan wordt de auto al snel een vestiaire. De eerste dagen is het sowieso altijd nog een beetje zoeken: waar heb ik dit of dat ook al weer gestopt, hoe gaan we de tafel zetten, wat heb ik vandaag nog nodig en wat kan ik laten zitten?

Ons eten kwam gewoon helemaal uit zichzelf aangewandeld. (Grapje!!)

Maar ik ben echt reuzeblij dat ik nu eindelijk in Lourdes ben geweest, dat ik de processie heb meegemaakt, de grot gezien, me met bronwater gewassen, flesjes water gevuld, kaarsje gebrand en gezwommen in het meer. Dik in orde!

Tiny’s taalgevoel: Frans

Toen ik naar het secundair onderwijs ging, had ik er al twee jaar Frans opzitten. Waar ik eigenlijk weinig mee was, want buiten wat domme woordjes (Papa fume une pipe) en een paar werkwoordsvervoegingen, kon ik niks vertellen in het Frans. Misschien kon ik al wel een liedje zingen: Il court, il court, le furet – meen ik me te herinneren, maar nu ik de tekst opzoek, zegt het me zo goed als niks meer. Volgens mij kon die leerkracht zèlf amper Frans want buiten de verplichte stof, werd er door haar geen woord Frans gesproken.

Ik kénde ook niemand die Frans sprak. Ik keek nooit naar Franse tv, luisterde nooit naar Franse muziek, had trouwens een hekel aan die belachelijke liedjes van eind jaren zeventig, zoals Alexandrie, Alexandra, of La ballade des gens heureux. Mijn moeder had vroeger wel wat Frans geleerd en hield wèl van Franse chansons, maar ze verstond er ook geen bal van. Als ze een LP van Frida Boccara op de draaitafel legde, holde ik snel naar mijn kamer.

Ik startte in het Vernieuwd Secondair Onderwijs. Een nieuwe vorm van middelbaar onderwijs, waarin de eerste twee jaren oriënterend waren en ze ‘zogezegd’ alle kinderen gelijk schakelden: er werd geen onderscheid gemaakt tussen algemeen vormende vakken of praktische vakken, dus de keuze werd uitgesteld. Mooi hé, in theorie? Vond ik ook. Ik vond het dus fantastisch dat ik zowel Latijn leerde, maar ook Huishoudkunde (koken) kreeg, en Technologie (timmeren, solderen, elektro,…). Een gemiste kans, denk ik nu, want al leerde ik wel wat basisreceptjes bij Koken, ik wist niet hoe ik een ruimte moest dweilen of ramen moest lappen. Ik kon wel een paar draadjes aan elkaar solderen maar had geen flauw idee hoe je een lamp moest vervangen.

Talen dan: in het VSO kreeg je de fantastische keuze tussen tweede taal Engels of Frans. Ik denk dat dit voor mij de doorslag heeft gegeven om voor die specifieke school te kiezen want ik wou héél graag Engels leren. Frans had ik ook wel, maar als derde taal, ik denk één of twee uurtjes per week.

Grotendeels was dat herhaling van het basisschool-Frans en ik kon goed mee. Het was niet moeilijk maar ook niet interessant. Ik heb geen idee meer wie mijn leerkrachten Frans waren, de eerste vier jaar van het middelbaar onderwijs.

Toen ik naar het derde jaar ging, moest ik wél een keuze maken en dan had ik de weinig elegante keuze gemaakt “Moderne Talen – Economie”. Daar had ik nog steeds vier uur Engels, twee uur Frans, twee uur Duits en vier uur Economie.

Nu laat mijn geheugen mij een beetje in de steek: was het de overgang naar het derde of naar het vierde middelbaar dat er ineens té weinig leerlingen overblijven voor tweede taal Engels. In het eerste en tweede jaar zaten we met een gezellig groepje van acht leerlingen in de Engelse klas, dat ging goed vooruit. In een volgende blogpost meer over dat Engels.

Toen ik ineens – verplicht – toch moest overschakelen naar tweede taal Frans (en derde taal Engels) was dat een vréselijke ramp. Ze zaten met die klasgroep natuurlijk al een héél stuk verder! Die leerkracht sprak Fràns met ons, altijd! Ik snapte er helemaal niks van. Maar écht niks. Hoe ik werkwoordsvervoegingen moest maken, heb ik grotendeels op mezelf geleerd en vocabulaire is gewoon van buiten blokken, toch? Zo ben ik er wel doorgesparteld, met hier een daar een onvoldoende. Mondeling Frans? Nee, dat was enkel voor de happy few. Les élèves préférées, zeg maar. Ik herinner me niet dat we ooit spontaan Frans moesten praten, wel dat we opgeschreven dialoogjes moesten instuderen en dan voorspelen voor de klas. Papegaaienwerk. Travail de perroquet. Er was in onze ‘vernieuwde’ school zelfs een vooruitstrevend taallabo. Waar je in een soort hokje zat met een koptelefoon en een microfoontje, en ik herinner me dat we één voor één urenlang moesten voorlezen uit “Le grand Meaulnes“, een boek waar ik totaal niks, maar dan ook vraiment RIEN, van begreep. Ik kon het voorlezen ja, maar ik snapte niks. Sàài! Dit was een boek, gepubliceerd in 1913. Goh, zo vernieuwend, dat onderwijs. Pas.Du.Tout. 🙂

Ik hoor iedereen al denken, oh maar je hebt dan toch ook wel Le Petit Prince gelezen? Dat fantastisch mooi klein boekje, een klassieker en echt niet moeilijk? Non, non. Want, souvenez-vous, ik had al enkele jaren “tweede taal Frans” overgeslaan, waarin ze zonder twijfel dat boekje al lang hadden behandeld. Nooit van dichtbij gezien dus.

Het ging van kwaad naar erger. In het vijfde middelbaar had ik echt een bloedhekel aan dat Frans gekregen, ik spartelde om boven te blijven, maar dat jaar waren ook mijn wetenschappelijke vakken een ramp, zo ook het verplichte Lichamelijke Opvoeding, en ik was voor dat alles gebuisd, dus moest ik een jaar blijven zitten. Ik heb toen ook nog een paar bijlessen Frans gekregen, van een kennis van mijn ouders, maar dat heeft niet veel opgeleverd. De laatste jaren van het middelbaar onderwijs heb ik me suf gestudeerd op dat Frans maar ik kon geen deftige zin uitspreken in het dagelijkse leven.

Ik liet Frankrijk en de Ardennen als reisbestemming links liggen, en mijn gebrek aan de kennis van het Frans was daar mee verantwoordelijk voor.

Ik koos een richting Hoger Onderwijs die niets met talen te maken had en waar je absoluut geen enkel woord Frans voor moest kennen. Toen ik dan toch eens op reis ging naar de Dordogne, had ik een vriend mee die wellicht vijf woorden meer Frans kende, maar het ook durfde spreken.

Nee, nooit een Franstalig lief gehad. Ja, ’t is een mirakel.

Oh, en weet je nog die vakantiejob in een kinderklerenwinkel in Blankenberge? Veel Waalse toeristen kwamen daar langs, wat heb ik daar gezweet! Ik leerde ’s avonds nog snel de meeste prijzen uit mijn hoofd, want hoe zeg je dat nu weer, 599 in ’t Frans? Spreken met die Franstalige klanten was écht een ramp!

Even doorspoelen naar het jaar 2002: ik veranderde van job, ging terug werken in Brugge, bij mijn huidige werkgever (iets met technologie en blinden en slechtzienden) en wat bleek: zowat de helft van onze klanten zijn Franstalig. Ik herinner me nog mijn sollicitatiegesprek, mijn baas vroeg me in ’t Frans hoe mijn vakantie was geweest. Ongelofelijk, maar waar: ik was op reis geweest naar Frankrijk, met mijn toen zesjarige zoon, maar ik kon daar àmper iets zinnigs over vertellen. Bon, zei hij, ik wil je graag de job geven, maar je zal toch bijles Frans moeten volgen. Pas de problème monsieur, zei ik.

Tiny ging terug naar school, er bleken acht schooljaren Frans te zijn en gezien mijn opleiding (Moderne Talen in het middelbaar, haha) zeiden ze: het vijfde jaar zul je wel aankunnen. Ik deed een test, schriftelijk, slaagde met vlag en wimpel en mocht daar effectief starten. Wat bleek: de eerste twee lessen kregen we herhaling grammatica, ik zat me stierlijk te vervelen tussen de subjunctif en de passé composé, want dat had ik al méér dan genoeg geleerd, dàt kon ik wel. Ik ging ‘klagen’ bij de leerkracht en zei dat ik zo geen conversatie ging kunnen leren. Nog een test later dropten ze me in het zevende jaar. Acht studenten en zo goed als de hele avond Frans BABBELEN. Ik begreep héél veel, zo bleek, maar kon niet praten. Dat schooljaar heb ik enorm véél geleerd, van dagelijkse woordenschat, tot een journaal volgen, met veel domme fouten, maar ik durfde praten en ging mijn plan trekken.

Ondertussen kreeg ik op mijn werk veel Franse klanten aan de lijn, hield ik een schriftje bij met vakjargon in ’t Frans:

  • un souris: een muis
  • fichier: bestand
  • sauvegarder: opslaan
  • raccourci: sneltoets
  • configurations: instellingen
  • agrandir: vergroten
  • déficient visuel: gezichtsbeperking

En een maand na mijn start moest ik al mee naar een beurs in Charleroi: alles uitleggen in het Frans. Daar heb ik geleerd dat alles ook “un truc” is (een dingetje) en dat je op die manier én met veel gebaren en demonstraties ook iets kan uitleggen. De Walen betitelden die ‘truc’ dan vaak met het juiste woord en op die manier heb ik veel geleerd.

Na bijna negentien jaar kan ik mij in het Frans goed uit de slag trekken – je me débrouille – is één van de eerste zinnetjes die ik leerde, en krijg ik vaak complimentjes van Franstaligen. Maar, Frans praten buiten mijn werk, of een conversatie die niet werkgerelateerd is, vind ik nog steeds moeilijk. Als klanten een praatje tussendoor willen maken, moet ik al wat meer nadenken. Ik maak nog steeds fouten, maar ik leer ook nog steeds bij.

Als ik kijk naar onze kinderen (24, 19 en 16 jaar oud nu): is dat onderwijssysteem nog steeds een ramp, wat het Frans betreft. Ze komen uit het middelbaar, hebben uren en uren Frans gehad, veel grammatica en vocabulaire geblokt, maar kunnen NIET spreken en amper iets verstaan. Het is en blijft een ramp.