dialect

Tiny’s taalgevoel: Nederlands

Als ik met een serie wil beginnen over talen, dan lijkt het maar normaal dat ik begin met mijn moedertaal.

Maar daar valt al meteen heel wat over te zeggen. Er is wel het geschreven Nederlands, en dat is grotendeels voor iedereen hetzelfde, of je nu in Amsterdam, Twente, Opglabbeek, Schoten of Brugge woont. Laat ik daar dan maar mee beginnen.

Ik kon al vlot lezen voor ik naar de eerste klas ging. Nu lijkt dat al wat ingeburgerd want in de kleuterklas wordt er véél meer gewerkt aan voorbereidend lezen, dat was in mijn tijd wel even anders. Mijn moeder heeft mij leren lezen uit noodzaak. Hoe sneller zij op mij beroep kon doen om de cijfers op de bus, de bestemmingen voor de trein en de ondertitels op televisie voor te laten lezen, hoe gemakkelijker haar leven – en dat van mijn vader. Mijn moeder is al altijd zeer zwaar slechtziend geweest, kent héél vlot braille maar heeft ook wel gewoon schrift leren lezen en schrijven. Toen bleek dat ik die rare tekentjes goed kon onthouden en reproduceren, woordjes van letters maken, ging het snel. Ik las alles wat los en vast zat.

Aan het eind van de basisschool mochten we een namiddag ons ‘vrij’ bezig houden, sommigen hadden gezelschapsspelletjes bij, ik bracht een boek mee. Van Konsalik, ik vergeet het nooit. De juffrouw dacht dat ik het mee had om op te scheppen, maar ik zat al halverwege het verhaal en kon me er helemaal in verliezen.

Of het net dìt boek was, weet ik niet meer, maar iets in die zin.

Het zal dus wel duidelijk zijn dat Taal mijn lievelingsvak was en dat ik in het middelbaar Moderne Talen ging studeren. Leren over Oud-Nederlands, toneelstukken zien, poëzie lezen en leren begrijpen, ik was er gek op. Schrijven zonder fouten ging mij makkelijk af, nooit geen problemen gehad met d of t, ik ben een nerd wat schrijffouten betreft en vind een blog of iets dat gepubliceerd wordt op het www belangrijk genoeg om dat zonder fouten te doen. (Vergeef mij onoplettendheden en tikfouten.)

Voor de opmerkelijke lezer heb ik gisteren in mijn blog bewust een fout geschreven en ik vroeg me af wie van mijn lezers dat (1) ging opmerken en (2) mij ging zeggen waar de fout zat. Tot nu toe eentje, en het was niét de leraar Nederlands. Ik schreef: “…de mate waarin je word ondergedompeld” – terwijl het moet zijn wordt met een t, want géén inversie en je is stam + t.

Schrijffouten in handleidingen en zélfs in boeken komen jammer genoeg nog altijd voor. Gelukkig schrijft de man van mijn leven ook zonder fouten, had hij dit niet gekund dan was er toch een probleem, vrees ik.

Gesproken taal dan. Mijn pa komt uit Wuustwezel, de Antwerpse Kempen en al woont hij al meer dan vijftig jaar in Brugge, je hoort dat nog steeds. Mijn moeder is geboren in Westkerke, bij Oostende, en haar moeder kwam uit Menen. (Lees hier meer over mijn grootmoeder Anna.) Ik groeide op in Brugge, en sprak zowel met mijn ouders als met iedereen rondom mij, redelijk plat Brugs. Er was maar één juf, in het tweede schooljaar, die ons probeerde mooi te laten articuleren als we voorlazen, maar ik hoorde toen nog niet het verschil tussen een West-Vlaamse pét en het bekakte pet (eerder een ‘i’). Ik hoorde wel héél duidelijk verschil met mijn Kempense neefjes en nichtjes die het over een vies hadden in plaats van een vis.

Toen ik zestien was, ging ik solliciteren bij een lokale radio (lees meer hier). Ik wist van niks en ik dacht dat ik dat wel ging kunnen, presenteren. Ja hallo! Als je je eigen stem terug hoort op een opname, valt pas op hoe lelijk je spreekt. Dus hup, ik kreeg een aantal snellessen dictie. Ondertussen kan ik Nederlands spreken zonder al te dik accent, ik weet waar ik op moet letten. Ik neem wel graag (en vaak automatisch) dialecten of streektaal over. Zet mij tussen Gentenaren, Limburgers en die mensen uit de provincie Antwerpen en ik doe een beetje (veel) mee. In Holland spreek ik Hollands met de Hollanders. Mijn Nederlandse vriendin zegt dat je het helemaal niet hoort dat ik Vlaamse ben.

Toch ben ik een trotse West-Vlaming en erg fier op ons dialect. Noem het eerder een streektaal, want ik schreef al eerder over de verschillen tussen de Kortrijkzaan en de Bruggeling. Ik werkte ook tien jaar lang in Oostende en ben zeker dat er kust-klanken in mijn streektaal geslopen zijn. Er bestaan reeds vele liedjes in het West-Vlaams, het is moeilijk om er eentje uit te kiezen. Allez gow, deze dan: een vertaling van Wannes Cappelle van “Everybody hurts” van REM.

Ik geef je even de tekst mee, het is vooral om mensen die verzwelgen in eenzaamheid tijdens deze pandemie een hart onder de riem te steken.

Een dag een joar en een nacht

een nacht zoender mekoar

weet je nie wanneir of woar

da je latst lachte

we stoan kloar

we loaten olles vall’n

we kommen nor u toe

in alle geval

geliek oe

lik dam u zoe loaten schieten

lik dam u zoe laten goan

d’er is niets dam nie verstoan

sloaj de dagen deur mekoar

weet je ol lange niet meer wor

daj van droomde

we stoan kloar

we loaten olles vall’n

we kommen nor u toe

in alle geval

geliek oe

toe laat iets van u weten

mmm

m’en u veel te lang nie gehoard

ge peist toch nie daj gie ier ooit stoart

Lik een dag ee

weet je nie me wie of woar

daj nog lachte

we stoan kloar

we loaten olles vall’n

we kommen nor u toe

in alle geval

geliek oe

Tiny en de Hollanders

Afgelopen week moest ik voor het werk naar Nederland. Niet zo bijzonder als je weet dat ons hoofdkantoor in Nederland staat.

Maar ik wou het even hebben over mijn Nederlands gevoel. Als je hier al langer mee leest, dan is je dat misschien al opgevallen, ik heb het wel voor Hollanders. Eigenlijk is het een half mirakel dat ik nog nooit ‘iets heb gehad’ met een Nederlander. Zelf ben ik trouwens ook een achtste: toevallig ontdekte ik ooit dat mijn overgrootvader in Nederland is geboren, zodoende. Stiekem (of net niet) ben ik daar wel trots op.

Mensen die vervallen in cliché’s zoals daar zijn:

  • krijg je dan een glaasje karnemelk bij je lunch in Nederland?
  • zal er wel lunch zijn, gierige Hollanders die geen Bourgondiërs zijn zoals wij?
  • ik zie je al staan in je klompen, lol 🙂
  • zag je nog veel sleurhutten op weg naar de Ardennen? 🙂
  • praat je dan ook een mondje Hollands?
  • haal je een kroketje uit de muur?

… daar krijg ik een punthoofd van. Even antwoorden:

  • nee ik kreeg toevallig netjes de keuze tussen een hoop soorten koffie of thee, en lekker fruitsap van Appelsientje
  • ja er was lunch, lekkere broodjes allerhande
  • ik ken geen enkele Hollander die nog klompen heeft thuis staan, die dingen zijn al een tijdje uit de mode en trouwens f*cking onhandig
  • dat viel ontzettend mee, het is ’t seizoen nog niet, denk ik. En ook wij Belgen zijn sterk in caravans sleuren. (Lees: cèrèvèn)
  • ja (hierover straks meer)
  • nee en ook nog nooit gedaan, waarom zou ik als onze frituur ze veel  lekkerder maakt?

Het is allemaal de schuld van mijn ouders, Mies Bouwman en Jos Brink. Oh en ook van Rob De Nijs en Frits Spits.

Toen ik opgroeide in de jaren zeventig en tachtig luisterden wij voornamelijk naar Hilversum 3 en keken wij bijna alleen maar naar Nederland 1 en 2. Johan en de Alverman, move over. Zelfs het nieuws kende ik enkel van de Nederlandse zenders. Ik zal vast wel wat gemist hebben maar ik werd er ook veel rijker van, qua cultuur zeg maar.

Als kind begon het al: Tita Tovenaar, Swiebertje, De Fabeltjeskrant, De Bereboot, Kunt u mij de weg naar Hamelen vertellen, mijnheer?, Pommetje Horlepiep, De show van Ome Willem, De grote mijnheer Cactus show,…

En muziekprogramma’s: Toppop, Countdown, de Top 50, de Avondspits, veel meer bestond er niet voor mij. Die ellendige BRT Top 30, ik vond het vreselijk. Op vrijdagmiddag luisterde ik samen met mijn moeder naar de Nederlandstalige top tien en ik dweepte niet alleen met Rob, maar ook met Frank Boeijen, Doe Maar, Normaal, Toontje Lager, en nog een aantal. Néé, ik was geen fan van Corry Konings, of André Hazes of (oh my god) Hepie en Hepie. Google it, baby. 🙂

Maar ook cabaret vond ik fantastisch: Wim Kan, Wim Sonneveld, Toon Hermans was mijn held, André Van Duin in vroeger jaren, de Mounties,… En toen zag je ook nog leuke toneelstukken op televisie, en musicals! Zo blijf ik nog wel even doorgaan.

Vind je ’t gek dat ik dan héél snel het Nederlandse accent oppikte? Dat ik het feilloos kon en kan spreken? Dat in Nederland geen kat vermoedt dat ik Vlaamse ben, zolang ik dat volhoudt?

Dat mijn lief mij kwaad aankijkt echter als ik in dat Hollands verval? En dat ik mij wat in houd als ik met mijn Nederlandse collega’s aan de telefoon zit, wanneer een Vlaming meeluistert? Omdat ik de rare blikken ondertussen al wat gewoon ben. Ja, sorry, ik spreek Hollands met de Hollanders, en Limburgs met de Limburgers. Lach mij maar uit. Aan Antwerps doe ik niet, zo ver ga ik nu ook weer niet – tegen mensen uit die provincie haal ik mijn gekuiste versie van het Vlaams boven. 😉

Stiekem supporter ik een beetje mee voor het Nederlands elftal bij het EK of WK. Tenzij het België-Nederland is, dan ben ik keihard gewoon Belg.

Tiny toetert en haar lief spit

Wuk ne titel is da nu were?

Vroeger zei ik geen “wuk”. Het is de “wadde” van de Zuid-Westvlaming en de “welk” van de Antwerpse Kempen.

Geboren, opgegroeid en naar school gegaan in Brugge. Maar toch op kot in Kortrijk en vrienden en vriendinnen van overal. Tien jaar gewerkt in Oostende, aan ’t zèètje. Collega’s uit Limburg. Mijn vader uit de Antwerpse Kempen, mijn grootmoeder van Menen. Mijn Brugs dialect is al lang niet meer zuiver en soms vind ik dat jammer.

 

Een paar weken geleden floepte er uit mijn mond, tijdens het werk (in Brugge): “Goh, die zunne skient in mien ogen“, waarop mijn collega zei: “Hoe lang woon jij nu al in Wevelgem? Je begint het al te horen!”. Oeps.

Vaak liggen wij echt dubbel van het lachen, mijn lief en ik. Zijn Kortrijks accent valt mij niet zo hard meer op, maar af en toe zegt hij weer zoiets, waardoor ik toch eens met ogen draai. Deze zomer bijvoorbeeld: “Ik gon sebiet met de tuunslange e ki spitten in den hof.” Mijn reactie was: “Spitten doe je toch met een spa, en niet met een tuinslang!!??”

Dus ja: spitten is hier dus spuiten. “Nie spitten met woater hé“, zou het dus kunnen klinken. Belachelijk hé? Toch? Hij vindt dat doodnormaal.

Ik schreef er al eens eerder over, over dat verschillend West-Vlaams van ons. Het blijft een reden tot hilariteit.

Wat voor speeltuig staat er op een onderstaande foto? h-schommel

Juist ja, een schommel. En hoe zeg je dat in ’t West-Vlaams? Hawel, dat hangt er maar van af. In Brugge (wij toch, de jongeren kennen dat al niet meer, vrees ik) zeggen wij een toeter. Nee, niks om mee te toeteren, het komt van “touter”. Bij het Vlaams woordenboek vind je dit:

touter

(nen ~ (m.), -s)

schommel, schommelstoeltje

zie ook: balanschierebiesbiezabijsbijsbijzeboesboeschcammeréboesjkammereejutekakoratakratekrennerennekokerrietsekorijtaksturrelstuursuurtoeterwippentaterzwier

’t Is dus allemaal juist, gasten. Zot hé?

Dus voilà, ik toeter ip den toeter en hij spit met de tuinslang. Leuke bezigheden voor in den hof, nietwaar?