depressief

Tiny is bot en onzeker

De laatste week weken voel ik me niet meer zo Tiny 2.0, als net na de Yoga Teacher Training in Tenerife.

Een aantal factoren doen mij heel erg aan mezelf twijfelen en ondanks dat de meeste zaken in mijn leven wel okee zijn, vind ik mezelf een grote flop. “Tiny kan beter” stond er vaak op mijn rapport toen ik jong was – en dat lijkt wel het verhaal van mijn leven. Ik doe niet zo goed mijn best, denk ik. En ik heb een karaktertrek, die een vriendin mij ooit subtiel onder de neus schoof, waar ik niet trots op ben, maar waar ik maar niet vanaf geraak. Blijkbaar maak ik soms, onbewust, heel botte opmerkingen. Of soms lach ik met iets, vaak om mezelf een houding te geven, dat eigenlijk niet grappig was. Wellicht kwets is daar mensen mee, maar durven ze dat niet zeggen.

Ik had het laatst met Lieselotte over opvallende karaktertrekken. Wat zeggen ze over jou? Zeggen ze bijvoorbeeld dat je een lieve bent? We ontkenden allebei. Nochtans vinden wij onszelf best lief, maar we komen misschien niet zo over. We zijn allebei opvoedster van beroep en vinden onszelf maar een beetje pruts-moeders. We denken allebei heel hard na over vriendschap en wat dat met ons doet. Ik denk altijd dat ik geen vrienden heb die mij zouden rondrijden in een rolstoel op een festival (daar schreef ik al eens over: hier).

Ik doe maar wat. Zo organiseer ik op 12 juni weer een Zen op Zondag evenement en vraag ik me af: gaan er wel mensen inschrijven? Zo organiseer ik in oktober weer een stilteweekend en weet ik niet of er überhaupt nog interesse is? Reclame maken is niet mijn beste eigenschap, verre van. Sociale media zijn niet mijn beste vriendjes, en al zeker niet nu mijn Instagram account tinyblogt gehacked werd (volg me op Manutine/massage). Facebook lijkt voor heel veel mensen achterhaald (zeker voor de jongere generatie). Ik schrijf een nieuwsbrief, maar geraakt die niet te vaak in de spam? Ik pruts maar wat aan. Moet ik dan zo’n dure cursus volgen?

Mijn idee is om hier in Wevelgem yoga te geven in een kerk. Die kerken van tegenwoordig zoeken allemaal naar herbestemmingen, er wordt in gerepeteerd, concerten gegeven,… qua sfeer lijkt dat toch ideaal? Je wordt direct al een beetje stiller als je een kerk binnenkomt en je keert je wat in jezelf. Perfect voor yoga. Ik sprak met enkele mensen uit het gemeentebestuur en ben speciaal naar de zondagsmis gegaan om de pastoor te spreken. Vriendelijke mensen allemaal, maar ik voel me nog steeds een alien in Wevelgem. Het lijkt allemaal ‘ons kent ons’ en een Bruggeling geraakt er precies niet tussen. Twee zinnen moet ik maar zeggen en er klinkt al “Ge zijt niet van hier zeker?”. Vijftig kilometer zit er tussen Wevelgem en Brugge en dat lijkt soms wel een oceaan.

Ik ben ook héél slecht in netwerken en social talk; babbelen over koetjes en kalfjes met jan en alleman gaat mij heel moeilijk af. Het gesprek valt snel stil. Ik ben niet zo interessant. En mooie mensen krijgen vaak de meeste aandacht. Niet de wat speciaaltjes. Ik heb een rare kop, een bochel, x-benen, ik ben niet zo sportief en lenig als mensen denken, ik word weer te dik, mijn haar is raar, ik heb misvormde voeten, heb geen conditie,… en zo kan ik nog even doorgaan.

Iemand zei me ooit dat ik misschien ook HSP ben. Een High Sensitive Person – en hoe ouder ik word, hoe meer ik daar over nadenk, hoe vaker ik denk dat het waar is. Maar da’s voor een ander blogje.

Oh ja. Bloggen. Het staat ook maar op een laag pitje, door dezelfde redenen. Waarom blog ik eigenlijk? Ben ik niet gewoon een aandachtzoeker? Heb ik wel iets interessants te melden? Al de onderwerpen die ik bedenk, lijken me na twee seconden alweer te belachelijk voor woorden – en dus schrijf ik maar niet. Zo’n gevoel dus.

Tiny’s zelfbeeld

Eerlijkheid is de rode draad in mijn blog. En ja, ik mag hier al eens reclame maken voor mezelf en vertellen wat ik graag doe en waar ik goed in ben, maar ik wil ook de andere kant laten zien.

Wat Tiny niet kan, was een veel gelezen bericht, hoewel het vooral ook grappig was.

Maar soms heb ik weer last van dat imposter syndrome: denken dat je “maar iets doet” maar er eigenlijk niet te veel van bakt. Tegelijkertijd probeer ik in te zien dat ik niet in alles perfect moet zijn. Ik ben verre van perfectionistisch, in tegenstelling tot veel mensen. Soms doe ik iets ‘provisoir’, wat zoveel wil zeggen als ‘vluchtig’, een beetje goed. Omdat ik te lui ben, te moe, omdat ik denk dat het goed genoeg is, dat het geen examen is en niet op punten staat.

Voorbeeldjes?

  • Tijdens de yogales zie ik mijn reflectie soms in de ramen: dan vind ik mezelf een olifant in vergelijking met de lerares (en ja, ik weet het: je mag niet vergelijken), dan zie ik hoe de oefeningen verre van perfect zijn, dat ik met mijn hielen de grond niet raak, dat mijn benen nooit gestrekt zijn, dat ik geen evenwicht kan bewaren,… Dit terwijl ik héél goed weet dat het bij yoga daar totààl niet om gaat. Integendeel.
  • Ik kook elke dag vers en soms moet het toch snel gaan, omdat de man naar een vergadering moet, de zoon naar baskettraining, en ik zelf ook nog les heb. Dan denk ik vaak: wat ben ik toch aan het prutsen. Dat denk ik dan nog luider als niemand zegt dat het lekker is. Of als de zoon vraagt waar de saus is (een mens wil dan eens gezond doen!). Het is precies nooit goed genoeg.
  • Als ik een levering moet doen voor het werk en ik op voorhand al bedenk dat ik het wellicht niet zal kunnen omdat het een moeilijke situatie is: ik ben ‘maar’ een opvoedster en geen IT-specialist, ik kan wel ‘iets’ van de toestellen, maar heb geen verstand van elektronica, ik kan wel eens een kastje verplaatsen of een deurtje losschroeven, maar ik ben geen schrijnwerker. Ik ga door de mand vallen. Ze gaan mij niet professioneel vinden.
  • Ik wil betere marketing voor mijn bijberoep: maar daar kan ik niks van. De reclame die ik maak op Facebook of Instagram trekt eigenlijk op niks. Ik weet niet hoe dat beter moet. Ik weet niet eens welke cursus ik zou moeten volgen. Ze gaan mijn handje moeten vasthouden en stap voor stap zeggen hoe ik iets moet doen. Hoe dwaas ben ik eigenlijk?
  • Ik ben een flutmoeder en een flutdochter. Wie gaat er nu ook vijftig kilometer verder wonen van haar probleemzoon en haar ouders met een beperking. Wat een egoïste. ’t Is ook volledig mijn schuld dat hij zoveel problemen heeft.
  • Ik zal nooit financieel op mijn gemak zijn. Dat komt er van als je 2x van iemand scheidt en 2x een huis verliest en je laat pluimen. Had ik op mijn tanden gebeten, dan was ik nu wellicht niet alleen huisbezitter maar ook camper-bezitter of buitenverblijf-bezitter. Doodongelukkig wellicht, maar ik zou wel financieel op mijn gemak zijn en mijn zoon ook.
  • Jaloersheid is mij ook niet vreemd. Jaloers op gezinnen à la “papa, mama en de kindjes die elkaar allemaal graag zien”. Zeer confronterend. Ik heb dat nooit gehad en ik zal het ook niet meer hebben. Eigen schuld natuurlijk.
  • Het “wat heb ik misdaan”-idee: iemand reageert niet meer op een bericht en terwijl ik vroeger dacht dat ze in de gracht waren beland, of in het ziekenhuis of erger, denk ik nu gewoon dat ik wellicht iets verkeerds heb gezegd. Of iets doms heb gedaan.

Tot zover mijn negatief zelfbeeld. Om het allemaal weer goed te praten kan ik zeggen: je hebt geluk, Tiny, want je bent gezond en je hebt een mooie relatie. Je hebt nog allebei je ouders. Je kan af en toe een reisje maken zelfs al is het met een beperkt budget. Je bent slim genoeg. Stop met zagen.

Dus ik ga weer verder prutsen en dutsen.

Tiny geeft redenen

Redenen om boven water te blijven. Redenen om blij te zijn. Redenen om te blijven leven.

Dat laatste is een titel van het boek dat ik dit weekend las. Met in gedachten mezelf in donkere tijden maar ook veel andere geliefden die ik ken die momenteel nog steeds in een (vorm van) depressie zitten. Zwaarmoedige zielen of tijdelijke doemdenkers. In het boek van Matt Haig staat weinig onzin. De schrijver heeft het over zijn persoonlijk relaas met depressie en angststoornis en hoe hij daar is uit geraakt. Of er soms nog mee worstelt maar wat hij er dan aan doet. Ieder verhaal is anders, het jouwe, het mijne, het zijne. Maar ik vond het méér dan interessant. Een stukje uit het boek:

Dingen die mensen tegen depressielijders zeggen die ze in andere levensbedreigende situaties nooit zouden zeggen:

1. “Kom op, ik weet dat je tbc hebt maar het had erger kunnen zijn. Er is in ieder geval niemand dood.”

2. “Wat denk je dat de reden voor je maagkanker is?”

3. “Ja ik weet het, darmkanker valt niet mee, maar het leven met iemand die het heeft is ook geen pretje. Tjesus. Zwaar hoor.”

4. “Wat zeg je, alzheimer? Breek me de bek niet open, dat heb ik om de haverklap.”

5. “O, hersenvliesontsteking. Kom op zeg, zet je eroverheen.”

6. “Ja, je been staat inderdaad in de fik maar denk je dat het helpt om het er de hele tijd over te hebben?”

Bij het lezen van de titel dacht ik ook aan een liedje uit lang vervlogen tijden van Ian Dury & the Blockheads: “Reasons to be cheerful, part 3”. Het lijkt complete onzin, de tekst maar het is gewoon een opsomming van wat de schrijver vindt dat hem opfleurt. Hém. Niet jou, niet je buur, maar hém. En hoe persoonlijk dat toch maar is.

Terwijl ik dit nummer opzocht, kwam ik op een ander initiatief terecht, dat effectief “Reasons to be cheerful” heet. Dit is de naam van een project van David Byrne, van de band Talking Heads. Het is een non-profit project, waarvoor hij op een online platform verhalen verzamelt om vrolijk van te worden. De wereld kan er nogal hopeloos uitzien en als tegengif voor deze tumultueuze tijden wil hij die berichten eruit gaan lichten die die ons redenen geven om vrolijk en hoopvol te zijn. Leuk hé? Het is een soort goed nieuws website, er staan wel interessante én vrolijke dingen in: Reasons to be cheerful.

Sorry, het is weer allemaal Engels wat de klok slaat. Over dat Engels zal ik het dit weekend nog hebben, als ik verder doe met de serie Tiny’s taalgevoel.

Nog eentje, als we het hebben over redenen om blij te zijn. Ik heb het voorrecht om een geliefde te hebben, nu al meer dan tien jaar, waar ik elke dag graag naast wakker word en waar ik elke dag opnieuw ongelofelijk blij mee ben. De angst dat hij mij ooit zal verlaten is nog steeds aanwezig, maar elke dag dat hij me niet de deur wijst, is een dag verder gewerkt aan mijn verlatingsangst.

I’ve found a reason for me
To change who I used to be
A reason to start over new
And the reason is you