couchsurfing

Tiny en de holebi’s

In 2008 liep ik rond in Amsterdam tijdens de Gay Pride. Fantastische ervaring. Mijn drie partners in crime voor die dag waren ook couchsurfers die ik de dag ervoor pas had ontmoet, het was bijna een klucht: een lesbienne, een homo, een bi-man en ik. Die dag verliep erg feestelijk, ik genoot van de parade op de grachten, de sfeer in de straten, de heerlijke feestmuziek, karaoke en dragqueens en iedereen was vrolijk en blij. De homosexuele man die bij ons was, was een Italiaan en hij vertelde hoe hij genoot van de open sfeer in Amsterdam, dat zoiets in zijn thuisland amper mogelijk was, dat hij steeds moest opletten wat hij deed, wat hij zei en wat hij aantrok, dat hij al meer dan eens in elkaar was geslagen.

Foto: Reguliers.net

Het meisje dat op meisjes viel, was een Poolse en zei dat ze in haar thuisland het voor quasi iedereen geheim hield dat ze lesbisch was, omdat er veel mensen openlijk tegen homoseksualiteit waren, zelfs in haar eigen familie.

Helaas zijn mijn foto’s van die dag verdwenen, jammer want het waren zo’n kleurrijke sfeerbeelden.

In de late jaren tachtig viel ik op een knappe jongen, die later homo bleek te zijn, maar ik had dat natuurlijk weer niet door. Ondertussen is hij nog altijd samen met zijn man, ’t zijn schatjes. Ik heb een paar vriendinnen die lesbisch zijn, ook schatjes. De mama van mijn pluskinderen is ook lesbisch. Hoe dat precies zit, ga ik hier niet uitleggen, ze worden er gelukkig zelden mee gepest en dat zou ook totaal geen issue mogen zijn.

Zelf ben ik redelijk hetero, iets waar ik niet te veel over wil uitweiden maar dat ik ooit al verliefd was op meisjes, geef ik gerust toe. Ook hier zou er véél meer openheid in mogen komen, er rust nog altijd een taboe op het uiten van die bepaalde gevoelens. Nog steeds zijn volwassen mannen en vrouwen bang om toe te geven dat ze ooit/soms/vroeger nog gevoelens hebben gehad voor iemand van hetzelfde geslacht. En dan? Net omdàt we bang zijn om dit te uiten, is er nog steeds sprake van schaamte, van angst om uitgemaakt te worden voor homo of lesbo of watdanook. Net omdàt we bang zijn, steken we liever onze kop in het zand.

Door de vreselijke gebeurtenis in Beveren (David van 42 werd vermoord in een park door drie jongens die blijkbaar al eerder homo’s hadden aangevallen) en na het lezen van dit artikel, wou ik hier ook nog even een lans breken voor openheid en gelijkheid. Ik kan er met mijn kop niet bij dat zoiets anno 2021 gewoon nog gebeurt. Maar in het artikel wordt duidelijk gemaakt hoe dat precies wèl kan, hoe het komt, vanwaar die homohaat ontstaat. Lees dàt even voor meer duiding, ik kan het zelf niet beter uitleggen.

Foto door Shamia Casiano op Pexels.com

Dit is de zesentwintigste dag in #40dagenbloggen

Tiny’s taalgevoel: Engels

Ik schrijf deze reeks in volgorde van de talen die ik leerde spreken: Nederlands, Frans, en nu het Engels…

In de lagere school had ik al twee jaar Frans geleerd, maar ik kon er niks mee. Dat was wel even anders met het Engels, dagelijks luisterde ik naar Hilversum 3 voor de popprogramma’s (omdat ik niks naar mijn goesting vond op de BRT) en toen ik nog een kleine Tiny was, had ik ook nog nooit van lokale radiostations gehoord. Hilversum 3 stond altijd op en vooral Frits Spits in de Avondspits vond ik goed. Ook op televisie keek ik al van kleinsaf naar Toppop en Countdown.

Ik had het stilletjes aan wel gehad met Will Tura en Rob De Nijs, en kreeg mijn eerste echte eigen elpee: de soundtrack van Grease. Voor mijn Plechtige Communie kreeg ik een plaat van Boney M. Ik was ook zot van Queen en Cheaptrick en zong alle liedjes letterlijk mee, zonder al te veel te snappen waarover het ging. Toen ik amper twaalf was, ben ik een tijdje ziek geweest en ik zat een aantal weken thuis. Eenmaal de koorts weg, vond ik er niet beter op dan alle liedjes die ik graag hoorde, woord voor woord te noteren – als ik er geen platenhoes met de tekst van had. Mijn Engels was fonetisch, maar ik leerde er toch al snel de basis mee. De “dubbele rode” van The Beatles had een hoes met alle teksten op, die leerde ik uit mijn hoofd – zo leerde ik Engels. Ik keek naar Dallas en Dynasty, naar de films The Blue Lagoon en Grease en nog voor de jaren tachtig goed en wel begonnen waren, kon ik al redelijk wat verstaan.

Het eerste jaar Engels in de middelbare school was voor mij, eerlijk gezegd, a walk in the park. Ik vond het allemaal erg simpel en flauw, vond de grammatica wel interessant en was er snel mee weg. Het was een voordeel dat ik in Engels Tweede Taal zat, in een klein groepje want daardoor ging het tenminste wat vooruit. Maar voor mijn gevoel nog altijd super traag. Ik wou méér. Vanaf dat ik veertien was, heb ik bij mijn ouders de oren van het hoofd gezaagd om op taalkamp te mogen. Néén, niet met EF, dat bestond nog niet, of was toen ook al te duur, maar met een gelijkaardige organisatie. In de zomer dat ik 15 was, mocht ik mee: 17 dagen bij een gastgezin in Stirling, Schotland. Ja, ik leerde Engels in Schotland. Jaren later zei men mij wel vaker dat ik een Schots accent had. In de voormiddag was er taalles – van een echte Schotse, en in de namiddag waren er activiteiten. Ik vond het fantastisch en leerde héél veel bij.

Eenmaal terug op school moest ik in het vierde jaar veranderen naar Tweede taal Frans en zodoende Derde taal Engels, gevolg: NOG trager les. Abominabel niveau van de leerkracht, sorry mijnheer Snauwaert maar uw Engels was amper beter dan het mijne. Uw accent om bij te huilen. U hebt mij niks, maar dan ook niks bijgebracht.

De zomer van 1985, ik was toen zeventien, mocht ik terug op taalkamp, hooray! Deze keer naar Bournemouth, ik vertelde er al eerder over. Opnieuw enorm genoten en nog veel meer geleerd.

The Bournemouth-gang, beetje wazig in 1985. Ik ben tweede van links.

Pas in het vijfde en zesde jaar middelbaar had ik een strenge lerares Engels, die wel van wanten wist en ons extra oefeningen gaf, boekentips, poëzie leerde kennen… Daar was tenminste een uitdaging aan. Na het zesde middelbaar had ik echter mijn buik vol van talen en koos voor een totaal andere richting.

Toch bleef ik dromen van reizen naar Engelstalige landen, zeker naar de USA. Na mijn hogeschool schreef ik mij in voor een vrijwilligersproject: Camp Counselors USA, ik werd geselecteerd en mocht drie maanden naar Amerika, om er als vrijwilliger te werken in een zomerkamp voor mensen met een beperking. Ik schreef er al over hier.

Zoek me niet, ik sta er niet bij.

Op de foto: Australiërs, Nieuw-Zeelanders, Engelsen, Nederlanders, Duitsers,… en ik leerde er niet alleen ongelofelijk veel Engels bij in alle verschillende accenten – maar natuurlijk ook ontzettend veel over werken met mensen met een beperking. Stond erg goed op mijn cv. 🙂

Engels is écht mijn tweede taal. Ik begon te dromen in het Engels, te denken in het Engels, want als je drie maanden lang alleen maar Engels spreekt, wordt dat een automatisme.

En reizen… goh hoeveel keer ben ik al niet in Londen geweest? Een keer of acht? Naar Ierland: vier keer. Bijna telkens alleen, bijna telkens zo goedkoop mogelijk, ik logeerde bij andere couchsurfers. Dat Couchsurfing mij nog véél meer Engels heeft bijgebracht, hoeft geen betoog. Engelstaligen kwamen logeren bij mij in Brugge en ik kon quasi overal ter wereld terecht voor een gratis verblijf – in ruil voor wat sociaal contact, samen koken, samen de stad in, samen op café. Nu zou ik er écht geld voor geven. Wat verlang ik terug naar die tijd.

50 shades of grey in Ierland…

Ik heb een tijdje voor de website van Couchsurfing gewerkt, in de good old days, toen ze nog werkten met vrijwilligers en het nog niet zo commercieel was als nu. Ik deed vertalingen: van het Engels naar het Nederlands, voor de website. Ik werkte mee met de support-afdeling om problemen achter de schermen op te lossen. En ik reisde me suf. Elk vrij weekend of vakantie was ik wel weg.

Moet ik ook iets schrijven over het hoofdstuk Engelstalige vriendjes? ‘k Zal het kort houden, ik heb een Schots vakantielief gehad in 1983, een Brit in Amerika in 1992 (die staat wel op die eerste foto maar je raadt toch nooit wie), en een Australiër tijdens de Couchsurf-periode. Ja, die van de apotheek. Wreed spectaculair was dat nu ook weer niet. Den Australiër was wel een schrijver, een dichter zelfs en ook hij heeft me heel veel geleerd – over de Engelse taal hé!

In 2017 reisde ik met mijn familie naar de USA voor een roadtrip, daar heb ik uitgebreid over geschreven, heerlijk om daar te zijn – en ik zou dit graag nog eens overdoen maar dan alleen met mijn lief.

En ja, ik wil ook graag nog terug naar Schotland, naar Ierland, en hopelijk geraak ik in mijn leven nog in Australië en Nieuw-Zeeland.

Engels is mijn lievelingstaal, dat was je vast al opgevallen.

Dit is de vierde dag van #40dagenbloggen

Tiny en de Australiër

Hij zei: “Ik zou nog eens moeten passeren aan een apotheek, ik heb nog iets nodig”.

Natuurlijk zei hij dat niet zo, hij zei dat in het Engels. Met een lekker Australisch accent.

Mijn couchsurfer uit Melbourne was al eens drie dagen blijven logeren, in februari 2008. Het klikte op alle vlakken, we lachten wat af, hadden hele serieuze gesprekken, vonden dezelfde muziek leuk en hetzelfde soort eten lekker, hij kon dansen, schreef poëzie en verhalen, had een zwoele stem en mooie ogen. Ik was single. Moet ik er een tekeningetje bij maken?

Enfin, na die eerste drie dagen was er enkel een lief kusje gekomen en ging ik hem wellicht nooit meer zien. Tot hij een week later een bericht stuurde: dat zijn reisplannen veranderd waren en of hij nog voor een paar dagen mocht terug komen. Ik sprong zeventien gaten in de lucht en antwoordde positief. Van het een kwam het ander. Ik liep met hem door Brugge, hand in hand en dacht: “Tiens, ik heb nog maar zelden met iemand in Brugge zo rond gelopen.” We gingen naar De Republiek, aten spaghetti in den Estaminet, maakten samen sushi en hadden weer lange gesprekken bij een glas wijn. Okee, misschien twee.

Van het ander kwam nog wat meer. Alles klopte, het was in de sjakosh, van dat potje en dat dekseltje, alleen… kon hij niet eeuwig blijven en moest hij wel weer terug weg – en ook terug naar Australië. Dus hebben we die week samen er extra hard van genoten, carpe diem en YOLO en al.

Is there a pharmacy in town, because I need to buy something there“, zei hij mysterieus. Dus wees ik hem de apotheek in de Zuidzandstraat aan. Ik ging mee, hij draalde binnen wat rond, de apotheker vroeg wat hij wou en hij zei “Oh, I’m just looking around.” Ik lag plat van ’t lachen, want dat is nu een zin die je NIET in een apotheek uitspreekt. Enkele minuten later neemt hij me bij de arm en stappen we terug naar buiten, met niks.

There’s NO way I’m going to ask for condoms there!”, zei hij.

Bijna dertien jaar later passeer ik aan dezelfde apotheek en schiet in de lach. Benieuwd of hij het zich nog herinnert…