blinden

Tiny en zuster Maria

Zoals bedacht door Thomas P. wou ik nog deze week iets onverwachts doen. Nu speelde het idee al een tijdje door mijn hoofd, om iemand te gaan bezoeken die al een tijdje in een rustoord zit.

Zuster Maria zat toen ik haar leerde kennen in het klooster van de zusters van Sint-Jan, niet ver van het ziekenhuis AZ St-Jan. Zij werd op latere leeftijd blind en had nog de moed en de goesting om als zestigjarige nog braille te leren. Ik bracht haar een computer en een braille leesregel (want dit is nu eenmaal mijn job), en kwam regelmatig bij haar langs om opleiding te geven. Ze leerde ook werken met een voorleestoestel en een daisyspeler, al had ze regelmatig wel wat vragen. Dus kwam ik toch wel geregeld bij haar langs. Ze onthaalde me altijd met koffie, koekjes of een chocolaatje, wou altijd eerst een beetje babbelen voor we overgingen tot de opleiding of wat dan ook.

Ik kwam daar graag. Nu heb ik een voorliefde voor kloosters en abdijen, daar kom ik tot rust. Er gaat ook zo’n kalmte uit van die mensen, en al zeker van Zuster Maria.

Een jaar of wat geleden heeft ze blijkbaar een hersenbloeding gehad, moest geopereerd worden en kon daarna niet meer zo zelfstandig in het klooster wonen. Noodgedwongen verhuisde ze naar een WoonzorgCentrum in de buurt.

Al een hele tijd wou ik haar eens bezoeken, en het kwam er maar niet van. Want ik kwam tot voordien enkel bij haar langs omdat zij het vroeg, omdat ze met iets problemen had of iets aan wou leren, met andere woorden: ik kwam bij haar terwijl ik werkte. Zij was mijn klant. Nu zou ik gaan in mijn vrije tijd, gewoon omdat ze mij altijd iets dééd.

Ik kocht een doos pralines en reed naar het complex. Eenmaal op haar afdeling liep ik haar straal voorbij want ik had ze amper herkend, zo erg is ze veranderd. Een schim van zichzelf geworden, erg genoeg. Maar ze herkende onmiddellijk mijn stem, was blij dat ik er was. Na enkele zinnetjes viel ze terug half in slaap, de verzorgers vertelden me dat ze ziek was geweest en nog veel sliep. De pralines waren niet suikervrij, domkop die ik ben, ze is diabeet en mag er dus niet van eten. Dus schonk ik ze aan het verzorgend personeel en de andere bewoners. Zuster Maria had geen zin in een koekje, en ook niet in koffie. Het enige wat ik kon doen was haar helpen om wat water te drinken – en dat deed haar deugd, zei ze.
De praatgrage zuster van weleer is ze niet meer, toch bleef ik een uurtje bij haar zitten. Raakte haar aan, riep haar naam en deed haar de groeten van mijn ouders. Vroeg of ze nog veel bezoek kreeg (ja, zei ze) en zei dat ze toffe sluffers aan had (ze moesten het eens zien, zei ze!).

Er kwam opeens nog bezoek: een nichtje van haar. Die stem herkende ze ook meteen en ze leefde weer eventjes op. Maar ook bij haar viel het gesprek snel stil, ze heeft duidelijk nood aan veel rust.

Eigenlijk is ze ‘pas’ vijfenzeventig. Ik hoop dat ze nog een tijdje gezond en gelukkig kan zijn, en ben blij dat ik eventjes bij haar was.

Advertenties

Tiny en de huisdieren

Vorige week was het weer werelddierendag. Maar omdat ik niet mee doe aan die hype en alle dagen wel vriendjes met dieren wil zijn, gaat het NU over dieren en niet vorige week.

Iemand vroeg mij, schrijf eens over je hondje van vroeger op je blog.

En dan denk ik meteen aan Robbie.

Robbie was een chocoladebruine poedel. Waar hij vandaan kwam, geen flauw idee, ik was negen jaar. Al jaren had ik gesmeekt om een hondje, ik was enig kind en een beetje eenzaam en dat hondje zou alles oplossen. Dacht ik. Ik was stekezot van Robbie. Het was een lief en braaf beest, jong en speels. We speelden vooral samen in de tuin, ik heb er zelfs nog Super8mm-filmpjes van. En een foto.

FullSizeRender-2

Toen mijn moeder een paar jaar later begon als dagmoeder, moest Robbie echter weg. Een hondje en twee babietjes, blijkbaar mocht dat niet, om één of andere duistere reden. Ik vond het zeer oneerlijk. Op mijn eigen manier heb ik afscheid genomen van het dier en op het moment dat ze hem kwamen halen (hij ging naar een andere lieve familie, zeiden mijn ouders), wou ik er niet bij zijn. Ik verstopte me in de woonkamer onder een kussen en huilde stille tranen.

Nog een paar jaar later, de kindjes waarvoor we zorgden, waren al wat groter, mocht er wel een poesje komen. Dat werd Mientje. Ze was een paar jaar bij ons, maar verder herinner ik me er niet zo veel van.

Toen mijn grootvader stierf, durfde mijn moeder niet meer alleen over straat. Mijn vader werkte nog, ik zat op school en tot die tijd deed ze de boodschappen vaak samen met mijn grootvader. We zochten een oplossing en die kwam er onder de vorm van: een hond! Ja, super vond ik dat.

De eerste blinde geleidehond heette Vagabond (op zijn Frans) en kwam uit Ghlin. Zijn bevelen had hij in ’t Frans geleerd, dat was wel grappig. Een lief beest, maar we hebben hem niet lang kunnen houden, hij werd ziek.

FullSizeRender-3

Vagabond was te lang, en we noemden hem “Bondje” 🙂

De tweede was een blonde Labrador en kwam uit Limburg. Hij heette Kim en hij was iedereens lieveling. Hij was een supergoede begeleider voor allebei mijn ouders. Ondertussen ging ik studeren, op kot, alleen wonen, trouwen, kreeg een kind en toen mijn zoon kon kruipen, deed hij niks liever dan samen met Kim in de grote mand zitten. Kim vond dat allemaal prima en mijn zoon had een levensgrote knuffelhond. We zijn er wel altijd bijgebleven, want een dier blijft een dier en je weet nooit hoe het ineens zou reageren op een kind. Maar er is nooit iets gebeurd, Kim was de liefste hond ooit. Tot ook hij ziek werd, en niet meer te redden viel. Tranen met tuiten bij iedereen.

FullSizeRender

Later zijn er nog enkele pogingen gedaan voor een nieuwe geleidehond, maar het was nooit meer zoals Kim. En ik woonde toen al niet meer thuis.

Bij mij kwamen de katten. Eerst had ik geen huisdieren, ik wou wel een hond, maar vond dat zielig omdat we de hele dag gaan werken waren. Op een avond gingen we repeteren en vonden we onze jonge drummer in tranen. Hij had een klein poesje gevonden, (of gekregen, weet ik niet meer) maar hij mocht het niet houden van zijn ouders. Ik was er meteen weg van en heb het zelf meegenomen naar huis. We noemden haar Syria, naar onze groep, die Syrius heette.

Toen ik vele jaren later ging scheiden, moest ik jammer genoeg ook van Syria scheiden. Als ik één iets miste van het huis dat ik achterliet, was het wel de poes.

Er volgden nog poezen: Nero, Sylvester, Oliver, Sammy en Timmy. Elk met hun eigen verhaal.

Toen ik twee jaar geleden naar Wevelgem verhuisde, was er spijtig genoeg geen huisdier welkom. Allergie en aversie tegen katten. Niet tegen honden, maar ook hier weer: als we hele dagen gaan werken, en vaak op reis gaan: dat doe je een hond niet aan, vind ik. ’t Is jammer maar helaas.

Als ik bij iemand moet gaan cat- of dogsitten, laat maar weten. Met alle plezier!

Tiny’s papa

Een tijdje geleden schreef ik hier al het verhaal van mijn grootmoeder en dus ook een stuk dat van mijn moeder: Tiny op zolder

Nu wil ik jullie graag even meenemen naar de Antwerpse Kempen, vroege jaren veertig. Midden in de oorlog stond er een boerderij in Wuustwezel, Jules en Anna werkten hard  en als er alarm was, vluchtten ze naar de molen, kindjes aan de hand, de kleine Stan als baby mee met Anna.

Hij groeide op temidden van nog acht broers en zussen die allemaal een beetje voor elkaar zorgden en veel samen speelden. De jongens hoofdzakelijk buiten, ‘buske stamp‘ (voetballen met een blikje), gaan fietsen over de grens naar Nederland, knikkeren, bikkelen, visjes vangen, een vijvertje maken,…

Toen hij wat ouder werd, was hij niet thuis te houden: ofwel ging hij ergens werken om wat geld bij te verdienen, of hij ging op stap met zijn jongere broer. Uitgaan en dansen, met mensen babbelen, vrienden maken, en vriendinnen! Hij knutselde ook van alles in en uit elkaar en iedereen zei, die jongen wordt nog eens iets. Die kan van niets alles maken. Een ondernemer!

scan-24-2

Mijn vader achterop bij zijn broer Jef

Ze hadden ook een brommer, die werd zo’n beetje door iedereen gebruikt, maar Stan deed er van alles mee, kunstjes en stunten, niets was hem te gek, hij was een echte durfal. Tot die ene nacht, die ijskoude winter van 1963. ’s Morgens stond Maria, mijn grootmoeder, heel vroeg op en haar zoon lag niet in zijn bed. Meteen gingen ze op zoek, langs de straten van waar hij had langs gereden de vorige avond. Na enige tijd vonden ze hem, half bevroren, aan de kant van de weg half in de bevroren sloot. Van een helm of beschermende kledij was toen helemaal geen sprake.

Die vrieskou heeft eigenlijk zijn leven gered. Want er was van alles gaan bloeden maar door de kou werden verschillende bloedingen gestelpt. Hij was wel bont en blauw maar had niks gebroken, en na zes (!) weken coma werd hij eindelijk wakker. De zuster en zijn familie begon meteen tegen hem te praten, en hij zei: “Ik kan jullie niet zien, hoor.”  Toen pas werd ontdekt dat hij zijn gezichtsvermogen verloren had. Allerlei onderzoeken en operaties leverden niks op, niks meer aan te doen.

Het vervolg? Zoals ik al schreef: het was een ondernemer, een durfal en stilzitten stond niet in zijn woordenboek. Hij had gehoord over een revalidatiecentrum in het verre Brugge, waar ze hem een vak konden leren, lopen met een witte stok, en je plan leren trekken in het dagelijks leven. Dus hup, hij weg van thuis, op internaat in Brugge.

Twee jaar later (in de golden sixties!) vond hij werk bij de grote fabriek Siemens, had hij ook mijn moeder leren kennen, en bleef in Brugge wonen. Ze trouwden en nog wat later werd hun dochter geboren: Tiny.

Mijn vader wordt vandaag 76 jaar en woont nog steeds zelfstandig met mijn moeder in Brugge. Proficiat hé, pa!