blinden

Tiny en de zilveren citroen

Het lijkt op een titel van een Suske en Wiske album… Maar het heeft alles te maken met een luxe evenement: deze week kreeg ik na zeven maanden wachten mijn nieuwe (lease-)wagen. Iets met chips die niet voorradig zijn. Grapje van de leasing-firma: samen met het inschrijvingsbewijs, de nieuwe nummerplaat en een flut hesje, kreeg ik ook een zak chips met Pizza Pepperoni smaak, met als opschrift: “Bij xxx carlease is er geen chiptekort”. Haha.

Nee serieus, ik ben wel happy natuurlijk. Ondertussen reed ik zeven maanden met een zogeheten ‘aanloopwagen’, in afwachting van de nieuwe omdat de oude te veel kilometers had. Allemaal regeltjes van die leasingbedrijven, het zal wel ergens voor dienen.

Maar even alles op een rijtje, want tegenwoordig is het niet ‘woke’ om met een bedrijfswagen rond te rijden, dus heb ik al snel het gevoel dat ik mij moet verantwoorden. De beeldschermloepen die ik ga leveren over héél België wegen al snel zo’n twintig kilo per stuk, zitten in grote dozen en zijn dankzij hun grote verpakking goed beschermd. Je zet dat dus niet zo één twee drie op een trein, laat staan op een fiets. Meestal lever ik er ook niet ééntje, maar meerdere per dag, of nog een brailleleesregel, voorleestoestel, computer met spraak enzovoort. Mijn woon-werkverkeer is natuurlijk een pak minder geworden (Corona, hallo!) maar ik moet die dingen nog steeds wel komen halen in Brugge, en daarna dus overal leveren. Enter: mijn bedrijfswagen die ik echt nodig heb.

Dit jaar werk ik al twintig jaar bij hetzelfde bedrijf. Om de vier of vijf jaar wordt zo’n bedrijfswagen verruild voor een ander. Ik doe daar niet moeilijk over, al mag ik in principe zelf kiezen wat voor een merk en model het wordt. Bij mij is de koffer het belangrijkste: passen er twee van die mastodont-dozen naast elkaar en liefst nog in totaal vier met alle zetels plat. Tegenwoordig doet de Citroën C4 Picasso (nu Spacetourer) aan die voorwaarden.

Welke kleur mag dat worden voor u, mevrouw?”, vroeg de verkoper mij zeven maanden geleden en ik mompelde zoiets als “Doe maar iets. Wat er voorradig is. Iets standaard. Grijs of zo?”, want daar geef ik nu eens niks om, tenzij het fluogeel of grasgroen zou zijn. En dan nog. Dan zien ze me tenminste komen.

Groot was mijn verbazing dat het geen saaie grijze muis was, maar dat er een blinkende zilveren citroen voor mij klaar stond. Eigenlijk exact hetzelfde zilverkleur als mijn allereerste Mitsubishi Colt. Ik vind hem mooi, hij heeft vier wielen en hij rijdt zoals het moet. Veel meer fik fak zit er niet bij en daar kies ik ook niet voor. Na heel de uitleg vroeg de verkoper: “Nu ben ik eens curieus, waarom koos u voor een manuele versnellingsbak?”. Hij overviel me met die vraag, want daar had ik nu eens geen seconde over nagedacht. Op den duur moet je niks meer zelf doen, denk ik. Schakelen is autorijden. Niet alles hoeft moeiteloos te gaan. Het is zoals in de yinyoga: je moet alert blijven, actief genoeg en toch comfortabel.

Dus als je in het verkeer een zilveren citroentje tegenkomt, zwaai een keer! (Grote kans dat ik het niet zal gezien hebben – een mens moet op het verkeer letten hé, maar toch…:-))

Tiny is (niet) oud

Hallo hier ben ik weer, dag vriendjes allemaal! – Sorry, zat even met een oud liedje in mijn hoofd:

Luk Bral, 1974

Ze zitten al in de tiende week, de bloggers en Instagrammers die meedoen met Saturnein’s photochallenge. Na mijn veertig dagen bloggen challenge dacht ik al, wie weet kan ik inpikken met deze.

Deze week gaat het over “oud” en daar kun je van alles bij verzinnen, maar ik moest een foto hebben. Vorig weekend was ik bij mijn ouders en ik keek even naar wat er in de kast staat. De combinatie vind ik wel grappig.

Links een porseleinen beeldje, zoals je er veel zag bij “oude mensen” vroeger en misschien ook nog vandaag. Voor mijn ouders hebben zo’n beeldjes wel een grotere betekenis: je kan er aan voelen. Ze zijn zeer gedetailleerd. Een foto of een schilderij in huis was voor mijn ouders nooit echt een meerwaarde – moest je het nog niet weten: ze zijn blind hé.

Maar regelmatig werd er eens een nieuw beeldje aangekocht. Dit dateert van de vroege jaren zeventig, vorige eeuw. Iemand moet gedacht hebben: oh dit is schattig, een mama, een papa en een dochter die alle drie musiceren, hoe toepasselijk. De mama speelt piano, en dat is ook exact wat mijn moeder deed, ze wou ook pianolerares worden, maar toen kwam er een non en die pikte die plaats in.

Ik heb altijd graag gezongen, zong in koren en in bandjes, dus dat klopte ook wel. Mijn vader heeft in een vorig leven nog bugel gespeeld, een soort trompet, dus ergens klopt dit ook wel een beetje. Het beeldje heeft jaren op de tafel gestaan thuis en er werd vaak aan gevoeld, ook door andere blinde vrienden die op bezoek kwamen.

De foto er naast is, je kan het al raden: mini-Tiny. Wellicht was ik een jaar of twee, misschien drie. Kort blond haar en bruine ogen en een mollig lijfje: ja, ik ben nog helemaal niks veranderd! 🙂

Tiny vond wat oude foto’s

Mijn oma was er ook zo eentje die niks kon weggooien. Vooral haar foto-album was heilig en dat vond mijn moeder blijkbaar ook, want na de dood van mijn oma in 1985 bewaarde zij dit ergens op zolder. Ondertussen kan mijn moeder zelf bijna niks meer zien en heeft ze die foto’s al lang aan mij doorgegeven. Maar er zitten enkele tussen waar ik niks van snap omdat ze volgens mij véél ouder zijn dan zelfs de jeugd van mijn oma. Ook een beetje griezelig.

Wat al zo goed als zeker is, is dat deze foto is genomen tijdens een muziekles in Spermalie, het blindeninstituut in Brugge. De meisjes (want de jongens zaten in een heel andere afdeling!) houden hun handen met twee vingers vooruit om de maat aan te geven. Een klassieke vierdemaats gaat omhoog, omlaag, naar links, naar rechts: ik heb dit mijn moeder genoeg zien doen toen ze zelf pianoles gaf.

Er is een pianiste maar ook een lesgevende non (met kap). Het Spermalie-gesticht voor blinden en doven zag zijn oorsprong al in 1836, onder leiding van de Zusters van Spermalie. Meer info, zie deze link naar Wikipedia. Mijn moeder zat er zelf op internaat tussen 1948 en 1960. Mijn oma niet, die komt uit Menen en is naar een ‘gewone’ school geweest, al was ze zelf slechtziend.

Iemand met wat meer kennis van geschiedenis van de mode zou er misschien meer kunnen over zeggen. De uniformen zijn lange tijd gebleven, mijn moeder heeft daar ferm op gevloekt, dat vertelde ze vaak. Ruwe stof, echt niet prettig om aan te doen, dingen die vaak niet pasten.

Volgende foto dan, een typische fotografen-foto uit de jaren stilletjes.

Echt geen flauw idee wie dit zou kunnen zijn. Moeder en dochter wellicht? Maar waarom in zo’n automobiel? Dit was duidelijk zo’n bordkartonnen foto mét achtergrond waar ze dan tussen moesten gaan staan – en lang stilstaan. Was dit een oud schoolvriendinnetje van mijn oma? Maar die foto’s waren wellicht erg duur en daar werden toch maar enkele van gemaakt? Het blijft een raadsel.

Gelukkig vond ik er toch wat bekenden tussen:

Dit moet ergens begin jaren zestig zijn. Mijn oma en opa en in het midden mijn tante, zij is geboren met Spina Bifida (een open ruggetje, zeggen ze dan) en kon amper lopen. Toen lukte dat nog een beetje met van die speciale schoenen met ijzers aan, nu zit ze al een hele tijd in een rolstoel. Maar die mode: mijn oma had precies iets héél modern aan, het lijkt een beetje Desigual (jammer dat het zwart-wit is). Mijn tante was rond de 18, denk ik, zij had héél donker en héél veel haar en op deze foto ziet haar kapsel er echt spectaculair uit. Pépé was een no nonsense man, heel gewoon gekleed, heel gewoon in denken en doen en heel vaak vrolijk. Altijd zingen. Hij was een tijdje koster en organist in Sint-Jozef, Brugge. Daarvoor was hij leraar mandenvlechten in een revalidatiecentrum voor blinden (niks te maken met Spermalie van hier boven). Ik schreef er al eens eerder over hier.

Godfried overleed in 1983 en Anna in 1985.

Dit is de negende dag in #40dagenbloggen